Tag: Margrethe Venema

Ik wil je als een gemis verzinnen

Deze tekst heb ik geschreven met behulp van Margrethe Venema van Wassily’s Frisbee. De tekst zat al heel lang in me, maar kwam er niet goed uit. Dankzij haar feedback heb ik dit stuk kunnen schrijven, iets wat ik al heel lang wilde. Helaas is mijn stuk er niet in geplaatst, maar jullie kunnen het nu hier lezen.

Ik wil je als een gemis verzinnen

Lang, heel lang ben ik zoekende geweest. Zoekende in de breedste zin van het woord. Als vrouw zocht ik naar een man om mijn leven mee te delen (gevonden). Als vriendin zocht ik naar troostende zinnen om de gebroken harten van mijn vriendinnen te helen (soms gevonden). Als dochter zocht ik naar een tevreden blik van mijn ouders (verkeerd gezocht). Als zus zocht ik naar een gedeeld verleden met mijn zusje (altijd aanwezig geweest). Als schrijfster zocht ik naar woorden om mijn verhalen mee te vertellen (kwijt geraakt). Over die laatste zoektocht wil ik het met jullie hebben. De zoektocht naar de woorden.

Op de meest intense momenten in mijn leven kwamen de woorden in grote getale in mijn hoofd en vormden de basis voor mijn boek Grillig pad der Liefde. De meeste teksten schreef ik tijdens mijn verdriet over mijn Overleden Geliefde en in de periode dat ik hevig naar mijn Onbereikbare Muze smachtte. Woorden vormden voor mij een brug tussen gevoelens van hoop en wanhoop. Op die brug werd de heftigheid van de uitwaaierende emoties gekanaliseerd in en gerelativeerd tot een behapbaar stukje taal. Ik beeldhouwde de woorden zo, dat ze een kwetsbare zeggingskracht kregen.

Aan de ene kant voelde ik me wanhopig, want mijn Geliefde was dood en later bleek dat ik voor mijn Muze niet betekende wat hij voor mij deed. Aan de andere kant voelde ik me hoopvol, omdat mijn Geliefde me had geleerd mezelf en het leven te omarmen en omdat ik het niet uitsloot dat mijn Muze misschien ooit mijn gevoelens zou beantwoorden. Dit heen en weer geslinger tussen twee uiterste emoties maakte dat ik naar woorden zocht om in balans te blijven. Op de brug tussen Hoop en Wanhoop hervormde ik mijn sterke gevoelens in het mooiste wankele woordenevenwicht dat bestond. Dat hield in dat ik gedichten en verhalen schreef om dat wat ik ervaarde een plek te geven en zo weer meer vrede te ervaren in mijn hoofd en hart. Er was echter maar een briesje verdriet of vleugje vreugde nodig om de harmonieuze gemoedstoestand die al schrijvend ontstond te verstoren. Deze kwetsbaarheid was duidelijk voelbaar in mijn woorden en maakte dat ik mijn lezer diep kon raken. Dit evenwicht heb ik tot op de dag van vandaag niet teruggevonden.

Het mooiste wat kon gebeuren, overkwam me: ik vond na de dood van mijn Geliefde opnieuw de Liefde en de Liefde vond mij ook. Na een tijd in de zevende hemel vertoefd te hebben volgde het aardse geluk en nu, vijf jaar later, geeft de uitgebalanceerde relatie me steun en kracht. Ik heb er letterlijk geen woorden voor, want ze blijven weg. Het geluk heeft me met stomheid geslagen. De vaste grond onder mijn voeten blijkt funest voor mijn schrijverschap te zijn. Zou ik om mijn woorden terug te willen vinden dan moeten lijden?

Toen zo’n drie jaar geleden een grote crisis in mijn leven uitbrak en ik mijn gezonde verstand bijna verloor, was schrijven wel het laatste waar ik aan dacht. De gedachte aan een confrontatie met het diepste van mijn ziel zorgde ervoor dat het angstzweet mij bij voorbaat al uitbrak. Ik wilde niet schrijven. Ik kón niet schrijven. Hoe graag ik mij ook wenste te uiten in taal – de woorden kwamen niet. Een te groot lijden blijkt dus ook niet dé oplossing voor het woordengebrek.

Uit mijn verhaal kunnen we opmaken dat zowel Geluk als Lijden, voor mij gelijk aan Hoop en Wanhoop, er in hun uiterste vorm voor zorgen dat de woorden weg blijven. Na mijn crisis herstelde ik wonderwel door de steun van Liefde en kwam ik snel weer in de wereld van Hoop terecht. Het relativeren van emoties op wat ik noem ‘de brug’ is ditmaal klaarblijkelijk vanzelf gegaan, want woorden heb ik er niet aan kunnen of willen geven.

Leven op het randje tussen Hoop en Wanhoop, met andere woorden leven op ‘de brug’ leverde mij mooie teksten op. ‘On the edge’ leven is echter gevaarlijk, omdat de kans bestaat van het randje af te vallen en dan in Wanhoop te geraken. Een gemoedstoestand die ik niet ten volste omarm.

Wil ik dan terugkeren op die brug? Als ik eerlijk ben: liever niet. Het risico om mezelf in Wanhoop te verliezen is te groot. De kans om uitzinnige vreugde te ervaren neemt dan ook toe en met dat binnen handbereik valt er ook weinig tot niks te schrijven. Wil ik graag weer woorden vinden? Ja! Natuurlijk! Maar ze vinden mij nu niet meer en dat is een trieste zaak. ‘[…]Ik wil je als een gemis verzinnen’ zegt Ilja Leonard Pfeijffer in sonnet van hem over de liefde. Ik zou dat willen zeggen tegen mijn woordenbrug. Die zou ik wel willen verzinnen, om zo weer tot epistels te komen die mensen in het hart raken. Echt raken. Dat mis ik…

Wanneer kom ik je tegen?

Een paar jaar geleden geleden heb ik een verhaal ingezonden voor het Vlaams-Nederlandse Literair/Cultureel tijdschrift Schoon Schip. Het is geplaatst in de rubriek Wassily’s frisbee. Thema van het verhaal moest zijn: droom en werkelijkheid. Na de inzending heb ik grondige feedback van Margrethe Venema gekregen. Dankzij haar goede commentaren is het verhaal geworden wat het is. 

Kom me dan tegen

‘Als de aard nog nat is

Van zonneregen,

Kom me dan tegen,

Kom me dan tegen;

Uw hart van alle wegen

Weet welk het pad is.’

P. C. Boutens.

Soms droom ik dat fictie werkelijkheid wordt en dat de waarheid niet bestaat. Dat jij Songo, mijn Onbereikbare Muze, me belt. Ik droom dat je nieuwsgierig naar me bent en naar me verlangt. Naar mij, de vrouw die jouw woorden leest en herkent. Toen ik voor het eerst in aanraking kwam met een boek van jou, was ik overrompeld. Een vriendin van mij raadde het me aan en zei:‘Dit is echt iets voor jou.’ Dat had ik wel vaker gehoord en daarom geloofde ik het in eerste instantie niet. Sceptisch begon ik aan hoofdstuk één. Daarna kon ik het niet meer wegleggen. Wat verteld werd, raakte mij in het diepste van mijn ziel. Voor mijn gevoel kon ik door de woorden heen kijken en jou zien. Echt zien. In alle puurheid. Het was niet alleen het verhaal dat me aansprak, maar ook de geest die haar componeerde. De rangschikking van de woorden, de opbouw van de hoofdstukken, de subtiel ingebrachte motieven. Dat alles deed me de adem stokken. Het thema dat besproken werd, maakte veel in mij los. Welk een schone ziel moet dit alles bij elkaar gedacht hebben! Toen werd ik, in mijn eenvoud, verliefd op je. Verliefd door de woorden heen. Door de kaften van de boeken voelde ik dat ik mijn zielsverwant had ontmoet. Ik begon te schrijven. Boeken vol. Ze gingen als warme broodjes over de toonbank. Als journalisten mij vroegen waar ik de inspiratie vandaan haalde, lachte ik geheimzinnig en hield een verhaal op over ‘ingevingen van boven’. De waarheid is dat ze kwam uit jouw boeken. Dat wat jij schreef, maakte mijn schrijfgolf wakker. Onbedoeld was jij mijn Muze geworden.

Was het leven simpel, dan had jij na onze woordeloze ontmoeting vlak na die zomerse regenbui ook de gloeiende bliksemstralen gevoeld in je hart. We liepen verzonken in gedachten op elkaar af. Ik doorweekt, lange haren in slierten langs mijn gezicht. Mijn mascara was (zag ik later in de spiegel) uitgelopen over mijn wangen. Jij droog dankzij je schots-geruite paraplu. Je liep me praktisch omver. Geen pas deed je opzij. Toen kruisten onze blikken elkaar en alles wat ik toen had ervaren van de Liefde was niets vergeleken bij deze blik in jouw ziel. Als je hart de wegen had gekend, had je op zijn minst je hoofd geknikt of een groet gemompeld. Je hart was echter toegevroren en alleen in staat de tekenen van je eigen gecomponeerde wereld te herkennen. Het Hogere en Grotere van de wereld waarin ‘common people’ leven was en is een ver van je bed show. Ik was in jouw ogen slechts een onbeduidend sujet. Jij had het recht me omver te lopen, want ik liep immers op een weg waar jij altijd voorrang had als eersteklas schrijver. Ik, als beginneling, was jouw aanblik niet waard. Er kwam geen woord over je lippen. De stuurse uitdrukking die van het een op andere moment op je gezicht verscheen, sprak boekdelen. Ik zou niet eens in jouw schaduw mogen leven. Dat werd ik me met een schok bewust. De klap van deze realiteit was hard. In mijn roze dromen had ik je op een voetstuk geplaatst en verheerlijkt. Daarbij vergetend dat roem en succes tekenend zijn voor iemands houding. In de werkelijkheid was niets van jouw heerlijke ziel te merken. Heb je dan alles verzonnen in je boeken? Is dat wat je geschreven hebt dan allemaal niet waar? Hoe kan dat? Hoe kan je met zulk een bezieling schrijven en dan rondlopen zonder sprankje geluk in je ogen?

Nu moet ik me neerleggen bij het feit dat ik je nooit echt zal leren kennen. De bliksemstraal was alleen in mijn hart ingeslagen. Ik dien genoegen te nemen met dat wat je schrijft voor het Grote Publiek. Met je woorden in je boeken, gedichten en verhalen. Wie weet beter dan ik dat er een wereld van verschil bestaat tussen Zijn en Gezien Worden. Je kan een image in stand houden door een houding, attitude van heb-ik-jou- daar-lik-mijn-vestje. Je deelt je ziel met duizenden mensen. Je hart maar met één. En dat ben ik. In mijn dromen dan. Daarin ruizen onze harten gezamenlijk door het heelal. In de echte wereld leef jij echter in een ivoren toren. Je waant jezelf heer en meester over de wereld. Jij vindt, maak ik op uit sommige epistels, ons marionetten die naar andermans pijpen dansen. Wij zijn gevangenen in de maatschappij. Wij zijn niet capabel om zelf te denken en keuzes te maken in ons leven. Denk jij echt dat enkel en alleen wij gevangenen zijn van de wereld die ons omringt? Ook jij bent een gevangene. Van jouw herschepping van de wereld. Van jouw visie op goed en kwaad. Hoe naïef aanbidding ook kan zijn, ze is oprecht en puur. Van het volste vertrouwen. Een vertrouwen dat je zelf kwijt bent geraakt in dat meesterbrein van je.

Soms zou ik willen dat ik jou nooit tegen was gekomen op die druilerige dinsdagmorgen, dat ik nooit een letter van jouw oeuvre had gelezen. Veel beter was het geweest als je mijn woorden was tegengekomen in een van mijn vele boeken, door de meest kritische recensenten geloofd en geprezen. Dan waren de rollen omgedraaid geweest. Jij zou je wentelen in mijn gedachten en zien, doorzien wie ik ben. Niet meer dat meisje dat gillend wegloopt, omdat ze gek wordt van haar levend publiek, maar een vrouw die zichzelf recht in de ogen kijkt en de wereld uitzinnig maakt. Zou ik me dan ook te goed voelen voor een klein berichtje terug naar aanleiding van een fanmail? Zou ik dan ook bang zijn dat de hele wereld (met andere woorden: jij) me zou gaan stalken, omdat ik een schrijfster met faam ben? Wat ik zou doen, weet ik niet. In de werkelijkheid zijn de rollen niet omgedraaid. Ik ben de romantische, aanbiddende ziel en jij mijn Onbereikbare Muze. Zo is het en zo zal het altijd zijn.

Op een koude winteravond zat ik alleen op mijn paarse loveseat. ‘Bel me dan!’ dacht ik vol smart. Hoe zou je dat in vredesnaam moeten doen? Jij hebt geen weet van mijn bestaan op deze aardbol. Onrust joeg me de straat op en ik liep weer eens door de Stationsstraat. Ook langs Het Hemelsche Gerecht, jouw stamkroeg. Je zat vertrouwd voor het raam. Dit keer met een glaasje rode wijn in je linkerhand. Je blonde krullen sprongen alle kanten op en de kleurige bloes die je aanhad, stak af tegen het sombere interieur van het café. Je keek mijmerend naar buiten toen ik vol verlangen binnen keek. Je zag me. Dacht ik. Of zag je me niet? Ik zal het nooit weten.

Nooit zal mijn telefoon door jouw toedoen rinkelen. In een kroeg zal je me geen biertje of portje aanbieden in een poging mijn nummer te bemachtigen. Mijn boeken zal je niet lezen, mijn woorden zullen de weg naar je hart niet vinden. Dat wat ik weet van jou bestaat alleen in je boeken en niet erbuiten. Onze levens zijn onverenigbaar. Dit allemaal bedenkend wandel ik verder door de stad. Regendruppels komen steeds sneller uit de lucht vallen en maken mijn tranen onzichtbaar. Kom me dan tegen, kom me dan tegen, kom me dan tegen…

Kom me dan tegen...
Kom me dan tegen…