#ikvindjougewoonlief

Intense gebeurtenissen in de uiterlijke wereld zorgen bij mij altijd voor een innerlijke kentering. De plotselinge dood van mijn moeder heeft een diepe indruk op mij gemaakt en voor de nodige emoties en gedachten gezorgd. Omdat niemand ermee gebaat is als ik drie maanden huilend in bed doorbreng, heb ik besloten mijn energie om te buigen.

Een kleine gave waar ik mee behept ben, blijkt op stormachtige momenten als deze altijd een enorme zegen: ik uit mijn liefde. Bijna iedereen in mijn omgeving weet dat ik van hem/haar houd. Nu moet ik wel eerlijk zijn en bekennen dat ik niet van iedereen houd. Nee. Er zijn mensen die het bloed onder mijn nagels vandaan halen. Maar goed. Ook ik ben maar een mens. Ik troost mij dan altijd maar met de gedachte dat er andere mensen zijn die wél van hen houden.

Door de trieste omstandigheden van de afgelopen weken, kwam ik op het idee om dat wat mij de kracht geeft om te rouwen met een gouden randje (wéten dat zij weet dat ik van haar hield en wéten dat ik weet dat zij van mij hield) uit te bouwen en te vergroten. De komende tijd ga ik op verwachte en onverwachte momenten mensen ‘de liefde verklaren.’ En dit in de ruimste zin van het woord en publiekelijk onder de hashtag #ikvindjougewoonlief. Een vriend van mij stelde voor om er een radioprogramma van te maken, maar ik denk dat Gelre FM niet zit te wachten op mijn versie van ‘All you need is love’.

Mijn eerste liefdesverklaring heb ik afgelopen zaterdag al gegeven aan Sharon tijdens het optreden van Donnerwetter op de dag van de Achterhoekse Popmuziek in Den Diek. Wij gaan de komende tijd spiritueel op reis. Al waren we dat eigenlijk stiekem al. Ter ere van onze vriendschap heb ik een foto, die gemaakt is tijdens haar housewarming afgelopen zomer, bewerkt en van liefdevolle bloemen voorzien. Voor mijn andere liefdesverklaringen ga ik mij denk/vermoed ik ook van andere middelen bedienen: tekeningen, woorden of misschien iets volkomen anders. We zien wel.

Mijn eerste liefdesverklaring in het kader van #ikvindjougewoonlief is aan Sharon. En weet je wat nou zo mooi is: zij vindt mij ook lief!

Advertenties

Vier vier

Huisje, boompje, beestje. Daar ziet het wel naar uit. Boef en ik geven ons vrije en blije leven van ‘hokken’ op voor een toekomst met samen plagend uitdagend oud worden. Nu heb ik officieel beloofd dat ik zijn kunstgebit ga poetsen als dat nodig is. Oei, oei, oei. Vier vier was het. Een moeilijk te vergeten datum. En de aanleiding het feit dat we ons huurhuis konden kopen. Ik verheug mij nu al op mijn jaarlijks kneuterige bloemetje. Of zal Boef mij iets anders geven? Of moet ik hem iets geven? Dat kan natuurlijk ook nog. We zijn een modern, niet geijkt stel dat voor verrassingen zorgt. Omdat Boef geen ring kan dragen in verband met zijn werk en ik toch een bijzonder aandenken aan deze dag wilde, kochten we houten horloges van Lumbr. Zeer mooi en zeer toepasselijk. Zo blijven we allebei bij de tijd voor altijd.

In mijn hoofd was het de afgelopen weken een achtbaan, waardoor er van bloggen niet veel terecht kwam: de koop van ons huis, stiekem een geregistreerd partnerschap (met originele jurk) aangaan, bezig zijn met de Vrije Soos en Literaire Soos (zie het krantenartikel in de vorige blogpost), mijn liedteksten die gezongen worden door de leuke mannen van TweeFM, het regelen van verschillende optredens als woordENkunstenaar met Annekée en de overweging om van Rabarbara een heus bedrijfje te maken. Voor dat laatste heb ik een ondernemingsplan geschreven en ben ik naar de Kamer van Koophandel geweest voor een seminar. Daarnaast heb ik er met verschillende mensen uiteenlopende gesprekken over gevoerd. Diverse personen boden mij hun hulp aan en met één bijzonder exemplaar ga ik in zee. Wordt vervolgd.

Nu ben ik dus min of meer ‘getrouwd’. Wie had dat gedacht? Mijn geluk kan niet stuk. En dat rijmt ook nog eens. Ook al was het op een dinsdagochtend, gratis en in vijf minuten gebeurd, voor mij was het een rijke en omvangrijke dag. We vierden het klein en intiem. Met een lunch met Boef’s ouders, mijn moeder en zusje. Mijn vader kon er helaas om gezondheidsredenen niet bij zijn. Misschien dat we in de toekomst nog een feestje gaan geven om dit grote nieuws te vieren. Maar eerst orde op zaken en sparen.

Er is veel in gang gezet de afgelopen tijd. De ‘maakenergie’ zoals Dyon en Dorian (de mede-oprichters van de Vrije Soos) zo mooi noemen draait op volle toeren. En ik draai mee, van boven naar onder, van links naar rechts. Boef zorgt ervoor dat ik mijn hoofd koel houd en mijn hart kan blijven volgen. Opposites attract.

De houten horloges die Boef en ik dragen ter ere van onze liefde.

Een fris welkomstdrankje tijdens onze lunch op de ‘grote’ dag.

 

Een speciale jurk voor een speciale dag.

 

 

Over Peachez, een romance: liefde als vals voorwendsel

Ook als vals voorwendsel en slechts een voorwerp van projectie loont ze moeite volgens proffie. Zij heeft hem het hoofd op hol gebracht en het gevoel gegeven dat hij echt leefde, meer leefde dan tussen de woorden van geleerden waar hij zich al decennialang dagelijks mee omringde. De prijs die hij voor haar moet betalen is hoog, in ogen van de buitenwereld tenminste. Hijzelf voelt zich echter geen gevangene achter de rauwe tralies waar hij nu zit. Alles is de moeite waard geweest. Haar treft geen blaam. Zij is onontkoombaar de liefde van zijn leven. Zij is Sarah Peachez.

Dat liefde je gek kan maken weet ik. Dat woorden je tot waanzin kunnen drijven weet ik ook. Zover als proffie in ‘Peachez, een romance’ heb ik het echter nooit laten komen. Ilja Leonard Pfeijffer schrijft in mooie, lange volzinnen over een emailliefde die opbloeit, maar die op een grote leugen gebaseerd is. Proffie en Sarah corresponderen zich een ongeluk, wat onze geleerde tot over zijn oren verliefd maakt. Haar woorden worden echter geschreven door drie mannen, die verspreid over heel de wereld een criminele bende vormen. Uit op kwaad en eigengewin. De ontgoocheling en desillusie die volgen, breken proffie niet. Hij is en blijft dankbaar voor deze turbulente ervaring. Zijn gevoel was echt.

Gevoelens zijn altijd echt. Dat vind ik ook. En liefde kan een projectie zijn. Kan. Ze is namelijk ook een spiegel, klankbord, warm bad en koude douche. Alles en niets. Alles of niets. Soms heb je er een keuze in. Soms niet. Dat ze de leidraad is in vele levens staat als een paal boven water. In dit boek lezen we over haar intensiteit en grensverleggende drang. Proffie trotseerde zelfs zijn vliegangst voor haar (en deed nog gekkere dingen). Laat de liefde een spel zijn dat we spelen, maar nooit een leugen. Ook al is ze zins begoochelend, laat oprechtheid zegevieren is mijn credo.

Ik weet niet of ik proffie’s onwankelbare vergevingsgezindheid zou kunnen voelen. Al begrijp ik wel dat het ervaren van liefde een wonder is dat je wil kennen. Maar ik heb haar al zo vaak gevoeld en zo vaak ervaren dat ik blij ben dat ik eindelijk thuis ben. Thuis bij Boef, die mij loslaat als ik wil vliegen, vasthoudt als ik dreig te vallen, wiegt als ik huil en de kans geeft om mijzelf te zijn en worden. Zo kan het ook. En zo wil ik het.

Niet voor iedereen is geluk in de liefde weggelegd. Sommigen blijven hun leven lang zoekende, anderen vinden op hun zestiende al de ware. Ik denk dat het soms ook een keuze is. Een keuze voor jezelf en de ander. Een keuze voor bouwen in plaats van wegwerpen na gebruik. Je moet open staan voor je eigen hart en dat van de ander in zijn volle glorie kunnen aanschouwen, respecteren en niet in de laatste plaats: voelen zinderen. ‘Two hearts beat as one,’ zingt Bono van U2 in het verder redelijk pathetische nummer. Ik kan ook niet stoppen met dansen. Dansen met Boef. Ook als hij plagend stokstijf blijft staan, wervel ik wel om hem heen. Hij is geen projectie, geen vals voorwendsel. Hij is echt. Levensecht. Alleen daarom houd ik al van hem. En om nog meer onnoembare redenen. Kusje voor jou Boef. Kusje.

Filosofische boeken over de liefde zijn altijd mooi. Zij stemmen mij tot nadenken en geven mij waardevolle inzichten. Zeker die van Ilja.

Waarom ik niet rook

De liefde. De mooie liefde. Bezongen er verguist. Ze zet en zette mij aan tot ongeoorloofde en domme daden. Maar ook moves die ertoe deden en wegen baanden naar plekken die eerst onbereikbaar leken. Een van de domste dingen die ik in haar ban heb gedaan is roken. Ik was nog jong, ik denk veertien. Op school liep ik rond met mijn hoofd in de wolken en schreef ik de schoolkrant vol met mooie, naïeve en idealistische praatjes. Ook verzorgde ik de roddelrubriek ‘wist je dat…’ Daarin verzamelde ik wetenswaardigheden over docenten die niemand wist, maar die wel ieder wilde (moest) weten. Gelukkig heb ik die fascinatie voor verboden berichten later overboord gegooid. Ik zou er niet aan moeten denken om vandaag de dag voor de Story of Privé te moeten werken. Nee, doe dan maar een vooraanstaand huis-aan-huisblad als de Elna.

Roken dus. In de redactie van de schoolkrant zaten leden van allerlei pluimage. Zo was er Jesse, eentje die de pik op mij had. Al was hij wel de enige moet ik zeggen. Hij stak de draak met mijn schrijfsels en had zelfs een column opgericht die compleet tegen mij inging. Mijn jonge meisjesogen vulden zich met tranen als ik deze las, niet wetend dat de Achterhoekse uitdrukking ‘ze kunnen beter over je praten, dan van je vreten’ echt waar is. Dan was er Croco een jongen met wie ik een haat-liefde verhouding had. We vonden elkaar nooit tegelijkertijd leuk en hebben jaren om elkaar heen gedraaid. Uiteraard hebben we gedate. Daar heb ik voor gezorgd. Maar daar waar ik voor gevallen was (zijn te grote bril en kapsels dat iets uit model was) verdween al snel. Na een van mijn eerste liefdesverklaringen ging hij lenzen dragen, naar de kapper en wilde hij dat ik ging roken. Iets wat ik pertinent weigerde, want als iets moet, dan… Toen verloor hij zijn interesse in mij. Blijkbaar was ik als niet-roker niet stoer genoeg.

Dan was er nog een andere schrijver wiens naam ik veiligheidshalve maar even achterwege laat. Hij hield van Nirvana en was zo gek als een deur. Na een van onze door ‘Birdy’ (zo noemden we de docent die de krant begeleidde) bijgewoonde vergaderingen gingen we allemaal weer richting huis. De schrijver zonder naam ging heel stoer op de plek staan waar in die tijd de rokers stonden. Onder een afdakje van het fietsenrek. We praatten nog wat na. Hij draaide zijn sjekkie, stak hem aan, nam een heis en vroeg:”Wil jij ook een trekje?” Deze toenaderingspoging niet af willen slaand, gooide ik al mijn principes opzij en zei ik volmondig ‘ja’. Gretig nam ik een trek van zijn sjek, niet wetend dat het zware shag was, ik geloof Javaanse Jongens. Dat heb ik geweten. Hoestend en proestend stond ik na die eerste diepe inhalering naast hem. Ik kon wel door de grond zakken van ellende. Met een of ander smoesje maakte ik mij uit de voeten en heb ik een week lang een branderig gevoel in mijn longen gehad. Ik was voorgoed genezen.

Inmiddels gepokt en gemazeld door het leven doe ik nog steeds weleens domme dingen in naam van de liefde. Boef weet er alles van. Maar wat ik wel weet en geleerd heb, is dat als je je eigen dingen doet, dat niet erg is. Volg je eigen hart en ga je eigen weg. Als iemand mij nu vraagt of ik wil roken terwijl ik dat niet wil en nooit doe, dan doe ik dat niet. Hoe leuk, lief of aardig ik die andere persoon ook vind. Ik sta waar ik voor sta. Zo is het en niet anders. Al heb ik soms wel de neiging om mee te gaan met de rook van iemands sigaret. Maar dan herinner ik mij mijn verbrande longen en weiger ik. Dank je wel schrijver zonder naam voor deze les. Dank je wel.

Of het echt een Javaanse jongen was die de schrijver zonder naam mij aanbood, weet ik niet zeker. Maar ik vond dit gewoon een leuk plaatje.

Of het echt een Javaanse Jongen was die de schrijver zonder naam mij aanbood, weet ik niet zeker. Maar ik vond dit gewoon een leuk plaatje.

Zondag croissantdag

Eigenlijk is het heel erg. Toch drijf ik er de spot mee. Getuigt dat van lef of is het gewoon dom? Ze zeggen dat de liefde van de man door de maag gaat. In mijn geval kan er dan geen sprake meer van liefde zijn. Alles is de laatste tijd namelijk in mijn eigen ronde buikje beland.

Wat is het geval? Romantische ziel die ik (stiekem) toch ben, had ik voor in het weekend zelf in elkaar te rollen croissantjes gekocht. Om samen in de ochtend van te genieten op de zalige zondag. Twee weken achter elkaar had ik mij vergist in dit knusse samenzijn. Boef bleek de ene keer namelijk storingsdienst te hebben en te moeten werken, de andere keer was er iets anders belangrijks (ben even vergeten wat). Dat bracht mij dat ik alleen in de keuken aan de slag ging met deze lekkernij.

Het geurde heerlijk in huis. De oven piepte en ik at braaf en gelukzalig mijn deel van de croissants op. Dat betekende dat er nog twee op Boef lagen te wachten. En… naar mij te lonken. ‘Ach,’ dacht ik, ‘Nog eentje kan wel.’ Toen was er nog maar één over voor mijn wederhelft. Ook die kon ik niet laten liggen en hebberig en hongerig vermaalde ik het krokante baksel tussen mijn kiezen.

Afgelopen zaterdag vertelde ik dit verhaal tijdens een feestje aan mijn collega’s van de post. De lachers kreeg ik ermee op mijn hand. Ik dronk maar niet teveel, want -was het verhaal- deze zondag zouden Boef ik wel samen smikkelen en smullen. Eén collega was zelfs zo vreg om te zeggen dat ik dit weekend zelf niks mocht eten. Alles was voor Boef. Ik ben wel goed, maar niet gek. Die ochtend aten we er ieder twee. Geluk zit in een klein hoekje. Boef beweert dat hij alles onthouden heeft en dat zijn wraak zoet zal zijn. Ik hoop zo zoet als een door hem gebakken appeltaart. Die ik dan ook nog eens alleen mag opeten. Maar dat zal wel niet.

De croissantjes voordat ze de oven in gingen. Zou er deze keer wel wat voor Boef overblijven?

De croissantjes voordat ze de oven in gingen. Zou er deze keer wel wat voor Boef overblijven?

Wanneer kom ik je tegen?

Een paar jaar geleden geleden heb ik een verhaal ingezonden voor het Vlaams-Nederlandse Literair/Cultureel tijdschrift Schoon Schip. Het is geplaatst in de rubriek Wassily’s frisbee. Thema van het verhaal moest zijn: droom en werkelijkheid. Na de inzending heb ik grondige feedback van Margrethe Venema gekregen. Dankzij haar goede commentaren is het verhaal geworden wat het is. 

Kom me dan tegen

‘Als de aard nog nat is

Van zonneregen,

Kom me dan tegen,

Kom me dan tegen;

Uw hart van alle wegen

Weet welk het pad is.’

P. C. Boutens.

Soms droom ik dat fictie werkelijkheid wordt en dat de waarheid niet bestaat. Dat jij Songo, mijn Onbereikbare Muze, me belt. Ik droom dat je nieuwsgierig naar me bent en naar me verlangt. Naar mij, de vrouw die jouw woorden leest en herkent. Toen ik voor het eerst in aanraking kwam met een boek van jou, was ik overrompeld. Een vriendin van mij raadde het me aan en zei:‘Dit is echt iets voor jou.’ Dat had ik wel vaker gehoord en daarom geloofde ik het in eerste instantie niet. Sceptisch begon ik aan hoofdstuk één. Daarna kon ik het niet meer wegleggen. Wat verteld werd, raakte mij in het diepste van mijn ziel. Voor mijn gevoel kon ik door de woorden heen kijken en jou zien. Echt zien. In alle puurheid. Het was niet alleen het verhaal dat me aansprak, maar ook de geest die haar componeerde. De rangschikking van de woorden, de opbouw van de hoofdstukken, de subtiel ingebrachte motieven. Dat alles deed me de adem stokken. Het thema dat besproken werd, maakte veel in mij los. Welk een schone ziel moet dit alles bij elkaar gedacht hebben! Toen werd ik, in mijn eenvoud, verliefd op je. Verliefd door de woorden heen. Door de kaften van de boeken voelde ik dat ik mijn zielsverwant had ontmoet. Ik begon te schrijven. Boeken vol. Ze gingen als warme broodjes over de toonbank. Als journalisten mij vroegen waar ik de inspiratie vandaan haalde, lachte ik geheimzinnig en hield een verhaal op over ‘ingevingen van boven’. De waarheid is dat ze kwam uit jouw boeken. Dat wat jij schreef, maakte mijn schrijfgolf wakker. Onbedoeld was jij mijn Muze geworden.

Was het leven simpel, dan had jij na onze woordeloze ontmoeting vlak na die zomerse regenbui ook de gloeiende bliksemstralen gevoeld in je hart. We liepen verzonken in gedachten op elkaar af. Ik doorweekt, lange haren in slierten langs mijn gezicht. Mijn mascara was (zag ik later in de spiegel) uitgelopen over mijn wangen. Jij droog dankzij je schots-geruite paraplu. Je liep me praktisch omver. Geen pas deed je opzij. Toen kruisten onze blikken elkaar en alles wat ik toen had ervaren van de Liefde was niets vergeleken bij deze blik in jouw ziel. Als je hart de wegen had gekend, had je op zijn minst je hoofd geknikt of een groet gemompeld. Je hart was echter toegevroren en alleen in staat de tekenen van je eigen gecomponeerde wereld te herkennen. Het Hogere en Grotere van de wereld waarin ‘common people’ leven was en is een ver van je bed show. Ik was in jouw ogen slechts een onbeduidend sujet. Jij had het recht me omver te lopen, want ik liep immers op een weg waar jij altijd voorrang had als eersteklas schrijver. Ik, als beginneling, was jouw aanblik niet waard. Er kwam geen woord over je lippen. De stuurse uitdrukking die van het een op andere moment op je gezicht verscheen, sprak boekdelen. Ik zou niet eens in jouw schaduw mogen leven. Dat werd ik me met een schok bewust. De klap van deze realiteit was hard. In mijn roze dromen had ik je op een voetstuk geplaatst en verheerlijkt. Daarbij vergetend dat roem en succes tekenend zijn voor iemands houding. In de werkelijkheid was niets van jouw heerlijke ziel te merken. Heb je dan alles verzonnen in je boeken? Is dat wat je geschreven hebt dan allemaal niet waar? Hoe kan dat? Hoe kan je met zulk een bezieling schrijven en dan rondlopen zonder sprankje geluk in je ogen?

Nu moet ik me neerleggen bij het feit dat ik je nooit echt zal leren kennen. De bliksemstraal was alleen in mijn hart ingeslagen. Ik dien genoegen te nemen met dat wat je schrijft voor het Grote Publiek. Met je woorden in je boeken, gedichten en verhalen. Wie weet beter dan ik dat er een wereld van verschil bestaat tussen Zijn en Gezien Worden. Je kan een image in stand houden door een houding, attitude van heb-ik-jou- daar-lik-mijn-vestje. Je deelt je ziel met duizenden mensen. Je hart maar met één. En dat ben ik. In mijn dromen dan. Daarin ruizen onze harten gezamenlijk door het heelal. In de echte wereld leef jij echter in een ivoren toren. Je waant jezelf heer en meester over de wereld. Jij vindt, maak ik op uit sommige epistels, ons marionetten die naar andermans pijpen dansen. Wij zijn gevangenen in de maatschappij. Wij zijn niet capabel om zelf te denken en keuzes te maken in ons leven. Denk jij echt dat enkel en alleen wij gevangenen zijn van de wereld die ons omringt? Ook jij bent een gevangene. Van jouw herschepping van de wereld. Van jouw visie op goed en kwaad. Hoe naïef aanbidding ook kan zijn, ze is oprecht en puur. Van het volste vertrouwen. Een vertrouwen dat je zelf kwijt bent geraakt in dat meesterbrein van je.

Soms zou ik willen dat ik jou nooit tegen was gekomen op die druilerige dinsdagmorgen, dat ik nooit een letter van jouw oeuvre had gelezen. Veel beter was het geweest als je mijn woorden was tegengekomen in een van mijn vele boeken, door de meest kritische recensenten geloofd en geprezen. Dan waren de rollen omgedraaid geweest. Jij zou je wentelen in mijn gedachten en zien, doorzien wie ik ben. Niet meer dat meisje dat gillend wegloopt, omdat ze gek wordt van haar levend publiek, maar een vrouw die zichzelf recht in de ogen kijkt en de wereld uitzinnig maakt. Zou ik me dan ook te goed voelen voor een klein berichtje terug naar aanleiding van een fanmail? Zou ik dan ook bang zijn dat de hele wereld (met andere woorden: jij) me zou gaan stalken, omdat ik een schrijfster met faam ben? Wat ik zou doen, weet ik niet. In de werkelijkheid zijn de rollen niet omgedraaid. Ik ben de romantische, aanbiddende ziel en jij mijn Onbereikbare Muze. Zo is het en zo zal het altijd zijn.

Op een koude winteravond zat ik alleen op mijn paarse loveseat. ‘Bel me dan!’ dacht ik vol smart. Hoe zou je dat in vredesnaam moeten doen? Jij hebt geen weet van mijn bestaan op deze aardbol. Onrust joeg me de straat op en ik liep weer eens door de Stationsstraat. Ook langs Het Hemelsche Gerecht, jouw stamkroeg. Je zat vertrouwd voor het raam. Dit keer met een glaasje rode wijn in je linkerhand. Je blonde krullen sprongen alle kanten op en de kleurige bloes die je aanhad, stak af tegen het sombere interieur van het café. Je keek mijmerend naar buiten toen ik vol verlangen binnen keek. Je zag me. Dacht ik. Of zag je me niet? Ik zal het nooit weten.

Nooit zal mijn telefoon door jouw toedoen rinkelen. In een kroeg zal je me geen biertje of portje aanbieden in een poging mijn nummer te bemachtigen. Mijn boeken zal je niet lezen, mijn woorden zullen de weg naar je hart niet vinden. Dat wat ik weet van jou bestaat alleen in je boeken en niet erbuiten. Onze levens zijn onverenigbaar. Dit allemaal bedenkend wandel ik verder door de stad. Regendruppels komen steeds sneller uit de lucht vallen en maken mijn tranen onzichtbaar. Kom me dan tegen, kom me dan tegen, kom me dan tegen…

Kom me dan tegen...

Kom me dan tegen…

Paraplu

Omdat het regende hield hij met een galant gebaar zijn paraplu ook boven mijn hoofd. ‘Waar ga je naar toe?’, vroeg hij terwijl zijn snelle stap zich aanpaste aan mijn wat slenterende tempo. ‘Naar de Hema. Ik ga foto’s halen.’ ‘Dat komt mooi uit, ik moet daar ook net zijn om een lampenkapje te kopen. Vind je het goed dat ik met je meeloop?’ Ik knikte, een tikje verbaasd.

‘Kijk uit!’ Met een voorzichtige druk op mijn arm voorkwam Reinout dat ik zonder op- of omkijken de straat over stak. Een auto reed voorbij. Na eerst links en toen rechts gekeken te hebben begeleidde hij me het zebrapad over. Er volgde een typisch reinoutiaanse stilte. Met de regelmaat van de klok kwamen deze gaten in onze gesprekken voor. Zijn gedachten konden van het ene op andere moment ver weg van het hier en nu zijn. De verstrooidheid was altijd duidelijk in zijn blik te zien. Het wegvallen van de helderheid van geest had voor mij vaak iets aandoenlijks. Zoals een moeder vertederd naar haar kind kan kijken als het opgaat in zijn spel, zo keek ik naar Reinout.

Alleen was ik geen moeder en hij geen kind. Nee. We waren man en vrouw. Het spanningsveld dat twee verschillende sexen bij elkaar op kan roepen, was bij ons aanwezig. Ik voelde de behoefte deze kloof te overbruggen, maar faalde. Achteraf denk ik dat hij dat ook wilde, kloofloos samenzijn, maar hij was -net als ik- te onwetend en verlegen om doeltreffende actie te ondernemen. En zo om elkaar heen dralend brachten we regelmatig samen wat tijd door. Pratend, maar dus ook zwijgend. Anderen verbaasden zich over onze vriendschap. Maar voor mij was het even natuurlijk als vanzelfsprekend. Reinout zwierf rond in de stad en ik, ik kwam hem tegen, stond hem te woord en begreep hem. Ook als hij niets zei. Of misschien juist omdat hij niets zei.

Zoals dat af en toe gaat met vriendschappen, kan je elkaar op een gegeven moment uit het oog verliezen. Er waren in ons geval duizend aanwijsbare redenen voor, maar de enige die in mijn ogen telde, was de volgende: ik begreep hem niet meer. Zijn wegvalmomenten begonnen me angst in te boezemen en zijn toch wel zonderlinge aard kwam voor het voetlicht. Plotseling zag ik mezelf door de ogen van een buitenstaander en begonnen vraagtekens over ons contact in mij op te borrelen.

Maar niet alleen ik veranderde tijdens onze ontmoetingen, ook hij vervreemdde van mij. Hij nam me niet meer mee in zijn geluidloze avonturen, sloot me buiten en liep soms zomaar bij me vandaan. Langzaamaan verwaterde onze bijzondere band. Dat hij verhuisde naar een andere stad droeg daar het nodige aan bij. Eigenlijk was ik Reinout vergeten. Andere opmerkelijke mannen en vrouwen kruisten mijn pad in de jaren die erop volgden. Zij hadden de herinneringen aan hem naar de achtergrond verdrongen, zelfs in de vergetelheid gedrukt. Hij bestond niet meer.

Tot het moment dat ik op een mooie lentedag door de stad fietste en mijn oog getrokken werd naar een hand in hand lopend stelletje. De ietwat gebogen houding van de man kwam me bekend voor, alleen wist ik niet waarvan. Toen ze wat dichterbij kwamen, herkende ik Reinout. De twee gingen zo in elkaar op, dat ik hen ongemerkt kon passeren. Ik was blij en verdrietig tegelijk. Blij, omdat Reinout iemand gevonden had die het gapende gat tussen hem en de wereld had weten te dichten. Verdrietig, omdat mijn levenspad zich zo grillig heeft ontwikkeld. Uiteenlopende mannen waren op mijn pad gekomen, maar geen van allen bood mij die beschutting die ik nodig heb. Geen van allen hield een paraplu zo boven mijn hoofd dat ik veilig was voor de regen van het leven.

Doorweekt en al, sta ik nu even stil bij Reinout en zijn lieve, symbolische gebaar. Een herinnering om te koesteren. Een herinnering die het verdient herinnerd te worden. Vandaar dat ik hem nu hier opschrijf. Voor jou. En voor mezelf.

Dit schilderij maakte ik ooit van een paraplu. Het hangt nu bij mijn oma.

Dit schilderij maakte ik ooit van een paraplu. Het hangt nu bij mijn oma.