Zondag croissantdag

Eigenlijk is het heel erg. Toch drijf ik er de spot mee. Getuigt dat van lef of is het gewoon dom? Ze zeggen dat de liefde van de man door de maag gaat. In mijn geval kan er dan geen sprake meer van liefde zijn. Alles is de laatste tijd namelijk in mijn eigen ronde buikje beland.

Wat is het geval? Romantische ziel die ik (stiekem) toch ben, had ik voor in het weekend zelf in elkaar te rollen croissantjes gekocht. Om samen in de ochtend van te genieten op de zalige zondag. Twee weken achter elkaar had ik mij vergist in dit knusse samenzijn. Boef bleek de ene keer namelijk storingsdienst te hebben en te moeten werken, de andere keer was er iets anders belangrijks (ben even vergeten wat). Dat bracht mij dat ik alleen in de keuken aan de slag ging met deze lekkernij.

Het geurde heerlijk in huis. De oven piepte en ik at braaf en gelukzalig mijn deel van de croissants op. Dat betekende dat er nog twee op Boef lagen te wachten. En… naar mij te lonken. ‘Ach,’ dacht ik, ‘Nog eentje kan wel.’ Toen was er nog maar één over voor mijn wederhelft. Ook die kon ik niet laten liggen en hebberig en hongerig vermaalde ik het krokante baksel tussen mijn kiezen.

Afgelopen zaterdag vertelde ik dit verhaal tijdens een feestje aan mijn collega’s van de post. De lachers kreeg ik ermee op mijn hand. Ik dronk maar niet teveel, want -was het verhaal- deze zondag zouden Boef ik wel samen smikkelen en smullen. Eén collega was zelfs zo vreg om te zeggen dat ik dit weekend zelf niks mocht eten. Alles was voor Boef. Ik ben wel goed, maar niet gek. Die ochtend aten we er ieder twee. Geluk zit in een klein hoekje. Boef beweert dat hij alles onthouden heeft en dat zijn wraak zoet zal zijn. Ik hoop zo zoet als een door hem gebakken appeltaart. Die ik dan ook nog eens alleen mag opeten. Maar dat zal wel niet.

De croissantjes voordat ze de oven in gingen. Zou er deze keer wel wat voor Boef overblijven?

De croissantjes voordat ze de oven in gingen. Zou er deze keer wel wat voor Boef overblijven?

Advertenties

Dikke foeke

Afgelopen week dacht ik ook een mondje Achterhoeks te spreken. Veel collega’s bij de post zijn nu met vakantie, dat betekent dus extra werken. Lachend zei ik op het depot: ’Dat is aan het eind van de maand mooi een dikke foeke!’, doelend op het extra geld dat ik nu ga verdienen. De betekenis van dikke foeke was volgens mij namelijk: heel veel geld. Thuisgekomen zei ik trots tegen Boef dat ik onze vakantie wel van mijn dikke foeke van deze maand zou betalen. Hij keek me aan of hij het in Keulen hoorde donderen. ‘Weet je wel wat je zegt?’, vroeg hij me. ‘Weet jíj wel wat ìk zeg?’, diende ik hem van repliek ‘Ik praat nu namelijk Achterhoeks met je.’ Na wat heen en weer gepraat kwam ik erachter dat volgens Boef ‘foeke’ geen geld, maar ‘blaas’ betekende. Ik ging het internet op en daar vond ik dat foeke een valse vrouw, kreukel of rimpel betekende. Nergens kwam ik de betekenis ‘heel veel geld’ tegen. Plotseling bekroop mij een gevoel van schaamte, want in de afgelopen dagen had ik met veel mensen vol trots over mijn dikke foeke gepraat. Misschien had niemand me nu echt begrepen en hadden ze allemaal gedacht: ’Laat die stadse maar lullen, Achterhoeks kan ze niet.’

Het werd tijd voor een hulplijn: de collega’s. Ik gooide de uitdrukking in de WhatsApp groep. Er waren uiteenlopende reacties: sommigen kenden het niet, maar een collega die de uitdrukking vaak gebruikt meldde dat het wel degelijk ‘heel veel geld’ betekent. Mijn collega’s schakelden ook weer hulplijnen in, want misschien werd het alleen maar gebruikt binnen een bepaalde familie. Dat bleek niet zo te zijn, ook mensen buiten die familie kenden de uitspraak. Al append kwamen we op het liedje dat gezongen wordt bij de foekepotterij, een gebruik op Oudejaarsavond. Dan gaan de kinderen met een foekepot langs de deuren en zingen ze het liedje: ‘Foekepotterij, foekepotterij, geef mien un cent, dan goa ik weer veurbij’. Een foekepot is een volksmuziekinstrument bestaande uit een aardewerken pot met een vlies (blaas, Boef heeft dus ook gelijk!) erover gespannen. Door het midden van het vlies wordt een stokje gestoken. Het bewegen van die stok zorgt voor geluid. Vroeger werden de zingende kinderen beloond met geld, tegenwoordig kan dat ook snoep zijn. Ik had nog nooit van dit gebruik gehoord, maar mijn collega’s hebben heel lief het liedje voor mij gezongen. Nu ben ik nog meer ingeburgerd in de Achterhoekse gewoontes en gebruiken.

Doordat uitdrukking niet bij iedereen bekend is, heb ik ook de Achterhoekers zelf nog wat geleerd over hun eigen taal. Al blijven sommigen volhouden (ik noem geen namen) dat het gebruik van ‘dikke foeke’ oneigenlijk gebruik is van het Achterhoeks. Maar daarover meer in een volgend blog.

Geen bier in mijn blote kont

Een van de eerste dingen die mij in de Achterhoek opviel, was de hoeveelheid bier die hier gedronken wordt. Zelf ben ik een matige drinker en lust ik geen bier. Tijdens mijn studententijd in Leiden heb ik wel geprobeerd om van dat gele vocht te gaan houden, want ‘bier drinken moet je leren’ was het motto. Na een poosje in die veronderstelling geleefd te hebben, besloot ik dat dat klinkklare onzin was. Ik bleef de smaak van bier ronduit smerig vinden. Daarom stapte ik over op de zoetere drankjes.

Tijdens het stappen in mijn randstedelijke periode kwam ik, geloof het of niet, wel eens dronken mensen tegen of trok ik op met een groepje dat zich een avond ging bezatten. Een echte bierleek ben ik dus niet. Tenminste, dat dacht ik. In het begin van mijn relatie met Boef gingen we eens de bloemetjes in een plaatselijke kroeg buiten zetten. We waren met een groot gezelschap en elke keer als er een rondje bier werd gehaald, werd mij een port voorgeschoteld. De barvrouw was niet zuinig, ik kreeg geen portglas, maar een wijnglas vol. Gulheid kan je de Achterhoekers niet ontzeggen, dat is een ding dat zeker is.

Toen ik besloot om een rondje te geven, bestelde ik braaf voor de bierdrinkers een flesje bier en voor mezelf maar een cola. De port was een beetje naar mijn hoofd gestegen en ik liep al te wankelen op mijn benen. Met mijn goede bedoelingen kwam ik bij de groep terug. Al flesjes uitdelend merkte ik dat er door sommigen besmuikt werd gelachen. Helemaal toen ik Boef een flesje overhandigde. Pas veel later begreep ik wat het euvel was: ik had pijpjes besteld in plaats van halve liters. En ja, dat is in bierland vloeken in de kerk. Het is bijna nog erger dan een ander merk boven Grolsch te verkiezen, heb ik mij laten vertellen.

De avond vorderde en vorderde en het bier bleef maar aangesleept worden. ‘Zijn ze nou nog niet dronken?’ vroeg ik mij af, toen we ons al in de kleine uurtjes bevonden. De drinkers die ik in het Westen van het land kende, zouden allang knock-out zijn gegaan. Hier liep iedereen er nog fris en fruitig bij. Het leek wel of ze immuun waren voor de alcohol. Ein-de-lijk hadden de mannen ook genoeg van het bier. We gingen naar huis. ‘Waar ben ik in verzeild geraakt?’, dacht ik nog voordat ik in slaap viel. De volgende ochtend stond Boef met nauwelijks een kater vrolijk zijn tanden te poetsen, terwijl ik de slaap met moeite uit mijn ogen wreef en de naweeën van de vorige avond grondig voelde.

Inmiddels weten de mensen hier dat ik niet meedrink in het groepstempo, zelfs niet als ik een cola-dagje heb. Na drie glazen krijg ik namelijk al een cola-buik. Wat ik wel heb geleerd, is om een flinke bodem in mijn glas te laten zitten als ik nog geen dorst heb, want zodra een glas bijna leeg is, is het gebruikelijk om een nieuwe -en wel tot de rand toe gevulde- voor je neus te krijgen. Dit in tegenstelling tot het Westen, waar je rustig een paar uur met niks in een uitgaansgelegenheid kunt staan of zitten en waar de glazen lang niet zo vol zijn.

Dus sorry lieve Achterhoekers, dat ik geen liters bier met jullie zuip en zeker niet in mijn blote kont, zoals de streekband ‘Mooi Wark’ zo prachtig zingt. Ik houd het bij mijn portjes en likeurtjes en een enkele keer een zoete witte wijn (maar dan wel een lekkere!). Kunnen jullie daar mee leven?

Bier?!

Bier?!

Ik wil je als een gemis verzinnen

Deze tekst heb ik geschreven met behulp van Margrethe Venema van Wassily’s Frisbee. De tekst zat al heel lang in me, maar kwam er niet goed uit. Dankzij haar feedback heb ik dit stuk kunnen schrijven, iets wat ik al heel lang wilde. Helaas is mijn stuk er niet in geplaatst, maar jullie kunnen het nu hier lezen.

Ik wil je als een gemis verzinnen

Lang, heel lang ben ik zoekende geweest. Zoekende in de breedste zin van het woord. Als vrouw zocht ik naar een man om mijn leven mee te delen (gevonden). Als vriendin zocht ik naar troostende zinnen om de gebroken harten van mijn vriendinnen te helen (soms gevonden). Als dochter zocht ik naar een tevreden blik van mijn ouders (verkeerd gezocht). Als zus zocht ik naar een gedeeld verleden met mijn zusje (altijd aanwezig geweest). Als schrijfster zocht ik naar woorden om mijn verhalen mee te vertellen (kwijt geraakt). Over die laatste zoektocht wil ik het met jullie hebben. De zoektocht naar de woorden.

Op de meest intense momenten in mijn leven kwamen de woorden in grote getale in mijn hoofd en vormden de basis voor mijn boek Grillig pad der Liefde. De meeste teksten schreef ik tijdens mijn verdriet over mijn Overleden Geliefde en in de periode dat ik hevig naar mijn Onbereikbare Muze smachtte. Woorden vormden voor mij een brug tussen gevoelens van hoop en wanhoop. Op die brug werd de heftigheid van de uitwaaierende emoties gekanaliseerd in en gerelativeerd tot een behapbaar stukje taal. Ik beeldhouwde de woorden zo, dat ze een kwetsbare zeggingskracht kregen.

Aan de ene kant voelde ik me wanhopig, want mijn Geliefde was dood en later bleek dat ik voor mijn Muze niet betekende wat hij voor mij deed. Aan de andere kant voelde ik me hoopvol, omdat mijn Geliefde me had geleerd mezelf en het leven te omarmen en omdat ik het niet uitsloot dat mijn Muze misschien ooit mijn gevoelens zou beantwoorden. Dit heen en weer geslinger tussen twee uiterste emoties maakte dat ik naar woorden zocht om in balans te blijven. Op de brug tussen Hoop en Wanhoop hervormde ik mijn sterke gevoelens in het mooiste wankele woordenevenwicht dat bestond. Dat hield in dat ik gedichten en verhalen schreef om dat wat ik ervaarde een plek te geven en zo weer meer vrede te ervaren in mijn hoofd en hart. Er was echter maar een briesje verdriet of vleugje vreugde nodig om de harmonieuze gemoedstoestand die al schrijvend ontstond te verstoren. Deze kwetsbaarheid was duidelijk voelbaar in mijn woorden en maakte dat ik mijn lezer diep kon raken. Dit evenwicht heb ik tot op de dag van vandaag niet teruggevonden.

Het mooiste wat kon gebeuren, overkwam me: ik vond na de dood van mijn Geliefde opnieuw de Liefde en de Liefde vond mij ook. Na een tijd in de zevende hemel vertoefd te hebben volgde het aardse geluk en nu, vijf jaar later, geeft de uitgebalanceerde relatie me steun en kracht. Ik heb er letterlijk geen woorden voor, want ze blijven weg. Het geluk heeft me met stomheid geslagen. De vaste grond onder mijn voeten blijkt funest voor mijn schrijverschap te zijn. Zou ik om mijn woorden terug te willen vinden dan moeten lijden?

Toen zo’n drie jaar geleden een grote crisis in mijn leven uitbrak en ik mijn gezonde verstand bijna verloor, was schrijven wel het laatste waar ik aan dacht. De gedachte aan een confrontatie met het diepste van mijn ziel zorgde ervoor dat het angstzweet mij bij voorbaat al uitbrak. Ik wilde niet schrijven. Ik kón niet schrijven. Hoe graag ik mij ook wenste te uiten in taal – de woorden kwamen niet. Een te groot lijden blijkt dus ook niet dé oplossing voor het woordengebrek.

Uit mijn verhaal kunnen we opmaken dat zowel Geluk als Lijden, voor mij gelijk aan Hoop en Wanhoop, er in hun uiterste vorm voor zorgen dat de woorden weg blijven. Na mijn crisis herstelde ik wonderwel door de steun van Liefde en kwam ik snel weer in de wereld van Hoop terecht. Het relativeren van emoties op wat ik noem ‘de brug’ is ditmaal klaarblijkelijk vanzelf gegaan, want woorden heb ik er niet aan kunnen of willen geven.

Leven op het randje tussen Hoop en Wanhoop, met andere woorden leven op ‘de brug’ leverde mij mooie teksten op. ‘On the edge’ leven is echter gevaarlijk, omdat de kans bestaat van het randje af te vallen en dan in Wanhoop te geraken. Een gemoedstoestand die ik niet ten volste omarm.

Wil ik dan terugkeren op die brug? Als ik eerlijk ben: liever niet. Het risico om mezelf in Wanhoop te verliezen is te groot. De kans om uitzinnige vreugde te ervaren neemt dan ook toe en met dat binnen handbereik valt er ook weinig tot niks te schrijven. Wil ik graag weer woorden vinden? Ja! Natuurlijk! Maar ze vinden mij nu niet meer en dat is een trieste zaak. ‘[…]Ik wil je als een gemis verzinnen’ zegt Ilja Leonard Pfeijffer in sonnet van hem over de liefde. Ik zou dat willen zeggen tegen mijn woordenbrug. Die zou ik wel willen verzinnen, om zo weer tot epistels te komen die mensen in het hart raken. Echt raken. Dat mis ik…

Wanneer kom ik je tegen?

Een paar jaar geleden geleden heb ik een verhaal ingezonden voor het Vlaams-Nederlandse Literair/Cultureel tijdschrift Schoon Schip. Het is geplaatst in de rubriek Wassily’s frisbee. Thema van het verhaal moest zijn: droom en werkelijkheid. Na de inzending heb ik grondige feedback van Margrethe Venema gekregen. Dankzij haar goede commentaren is het verhaal geworden wat het is. 

Kom me dan tegen

‘Als de aard nog nat is

Van zonneregen,

Kom me dan tegen,

Kom me dan tegen;

Uw hart van alle wegen

Weet welk het pad is.’

P. C. Boutens.

Soms droom ik dat fictie werkelijkheid wordt en dat de waarheid niet bestaat. Dat jij Songo, mijn Onbereikbare Muze, me belt. Ik droom dat je nieuwsgierig naar me bent en naar me verlangt. Naar mij, de vrouw die jouw woorden leest en herkent. Toen ik voor het eerst in aanraking kwam met een boek van jou, was ik overrompeld. Een vriendin van mij raadde het me aan en zei:‘Dit is echt iets voor jou.’ Dat had ik wel vaker gehoord en daarom geloofde ik het in eerste instantie niet. Sceptisch begon ik aan hoofdstuk één. Daarna kon ik het niet meer wegleggen. Wat verteld werd, raakte mij in het diepste van mijn ziel. Voor mijn gevoel kon ik door de woorden heen kijken en jou zien. Echt zien. In alle puurheid. Het was niet alleen het verhaal dat me aansprak, maar ook de geest die haar componeerde. De rangschikking van de woorden, de opbouw van de hoofdstukken, de subtiel ingebrachte motieven. Dat alles deed me de adem stokken. Het thema dat besproken werd, maakte veel in mij los. Welk een schone ziel moet dit alles bij elkaar gedacht hebben! Toen werd ik, in mijn eenvoud, verliefd op je. Verliefd door de woorden heen. Door de kaften van de boeken voelde ik dat ik mijn zielsverwant had ontmoet. Ik begon te schrijven. Boeken vol. Ze gingen als warme broodjes over de toonbank. Als journalisten mij vroegen waar ik de inspiratie vandaan haalde, lachte ik geheimzinnig en hield een verhaal op over ‘ingevingen van boven’. De waarheid is dat ze kwam uit jouw boeken. Dat wat jij schreef, maakte mijn schrijfgolf wakker. Onbedoeld was jij mijn Muze geworden.

Was het leven simpel, dan had jij na onze woordeloze ontmoeting vlak na die zomerse regenbui ook de gloeiende bliksemstralen gevoeld in je hart. We liepen verzonken in gedachten op elkaar af. Ik doorweekt, lange haren in slierten langs mijn gezicht. Mijn mascara was (zag ik later in de spiegel) uitgelopen over mijn wangen. Jij droog dankzij je schots-geruite paraplu. Je liep me praktisch omver. Geen pas deed je opzij. Toen kruisten onze blikken elkaar en alles wat ik toen had ervaren van de Liefde was niets vergeleken bij deze blik in jouw ziel. Als je hart de wegen had gekend, had je op zijn minst je hoofd geknikt of een groet gemompeld. Je hart was echter toegevroren en alleen in staat de tekenen van je eigen gecomponeerde wereld te herkennen. Het Hogere en Grotere van de wereld waarin ‘common people’ leven was en is een ver van je bed show. Ik was in jouw ogen slechts een onbeduidend sujet. Jij had het recht me omver te lopen, want ik liep immers op een weg waar jij altijd voorrang had als eersteklas schrijver. Ik, als beginneling, was jouw aanblik niet waard. Er kwam geen woord over je lippen. De stuurse uitdrukking die van het een op andere moment op je gezicht verscheen, sprak boekdelen. Ik zou niet eens in jouw schaduw mogen leven. Dat werd ik me met een schok bewust. De klap van deze realiteit was hard. In mijn roze dromen had ik je op een voetstuk geplaatst en verheerlijkt. Daarbij vergetend dat roem en succes tekenend zijn voor iemands houding. In de werkelijkheid was niets van jouw heerlijke ziel te merken. Heb je dan alles verzonnen in je boeken? Is dat wat je geschreven hebt dan allemaal niet waar? Hoe kan dat? Hoe kan je met zulk een bezieling schrijven en dan rondlopen zonder sprankje geluk in je ogen?

Nu moet ik me neerleggen bij het feit dat ik je nooit echt zal leren kennen. De bliksemstraal was alleen in mijn hart ingeslagen. Ik dien genoegen te nemen met dat wat je schrijft voor het Grote Publiek. Met je woorden in je boeken, gedichten en verhalen. Wie weet beter dan ik dat er een wereld van verschil bestaat tussen Zijn en Gezien Worden. Je kan een image in stand houden door een houding, attitude van heb-ik-jou- daar-lik-mijn-vestje. Je deelt je ziel met duizenden mensen. Je hart maar met één. En dat ben ik. In mijn dromen dan. Daarin ruizen onze harten gezamenlijk door het heelal. In de echte wereld leef jij echter in een ivoren toren. Je waant jezelf heer en meester over de wereld. Jij vindt, maak ik op uit sommige epistels, ons marionetten die naar andermans pijpen dansen. Wij zijn gevangenen in de maatschappij. Wij zijn niet capabel om zelf te denken en keuzes te maken in ons leven. Denk jij echt dat enkel en alleen wij gevangenen zijn van de wereld die ons omringt? Ook jij bent een gevangene. Van jouw herschepping van de wereld. Van jouw visie op goed en kwaad. Hoe naïef aanbidding ook kan zijn, ze is oprecht en puur. Van het volste vertrouwen. Een vertrouwen dat je zelf kwijt bent geraakt in dat meesterbrein van je.

Soms zou ik willen dat ik jou nooit tegen was gekomen op die druilerige dinsdagmorgen, dat ik nooit een letter van jouw oeuvre had gelezen. Veel beter was het geweest als je mijn woorden was tegengekomen in een van mijn vele boeken, door de meest kritische recensenten geloofd en geprezen. Dan waren de rollen omgedraaid geweest. Jij zou je wentelen in mijn gedachten en zien, doorzien wie ik ben. Niet meer dat meisje dat gillend wegloopt, omdat ze gek wordt van haar levend publiek, maar een vrouw die zichzelf recht in de ogen kijkt en de wereld uitzinnig maakt. Zou ik me dan ook te goed voelen voor een klein berichtje terug naar aanleiding van een fanmail? Zou ik dan ook bang zijn dat de hele wereld (met andere woorden: jij) me zou gaan stalken, omdat ik een schrijfster met faam ben? Wat ik zou doen, weet ik niet. In de werkelijkheid zijn de rollen niet omgedraaid. Ik ben de romantische, aanbiddende ziel en jij mijn Onbereikbare Muze. Zo is het en zo zal het altijd zijn.

Op een koude winteravond zat ik alleen op mijn paarse loveseat. ‘Bel me dan!’ dacht ik vol smart. Hoe zou je dat in vredesnaam moeten doen? Jij hebt geen weet van mijn bestaan op deze aardbol. Onrust joeg me de straat op en ik liep weer eens door de Stationsstraat. Ook langs Het Hemelsche Gerecht, jouw stamkroeg. Je zat vertrouwd voor het raam. Dit keer met een glaasje rode wijn in je linkerhand. Je blonde krullen sprongen alle kanten op en de kleurige bloes die je aanhad, stak af tegen het sombere interieur van het café. Je keek mijmerend naar buiten toen ik vol verlangen binnen keek. Je zag me. Dacht ik. Of zag je me niet? Ik zal het nooit weten.

Nooit zal mijn telefoon door jouw toedoen rinkelen. In een kroeg zal je me geen biertje of portje aanbieden in een poging mijn nummer te bemachtigen. Mijn boeken zal je niet lezen, mijn woorden zullen de weg naar je hart niet vinden. Dat wat ik weet van jou bestaat alleen in je boeken en niet erbuiten. Onze levens zijn onverenigbaar. Dit allemaal bedenkend wandel ik verder door de stad. Regendruppels komen steeds sneller uit de lucht vallen en maken mijn tranen onzichtbaar. Kom me dan tegen, kom me dan tegen, kom me dan tegen…

Kom me dan tegen...

Kom me dan tegen…

Paraplu

Omdat het regende hield hij met een galant gebaar zijn paraplu ook boven mijn hoofd. ‘Waar ga je naar toe?’, vroeg hij terwijl zijn snelle stap zich aanpaste aan mijn wat slenterende tempo. ‘Naar de Hema. Ik ga foto’s halen.’ ‘Dat komt mooi uit, ik moet daar ook net zijn om een lampenkapje te kopen. Vind je het goed dat ik met je meeloop?’ Ik knikte, een tikje verbaasd.

‘Kijk uit!’ Met een voorzichtige druk op mijn arm voorkwam Reinout dat ik zonder op- of omkijken de straat over stak. Een auto reed voorbij. Na eerst links en toen rechts gekeken te hebben begeleidde hij me het zebrapad over. Er volgde een typisch reinoutiaanse stilte. Met de regelmaat van de klok kwamen deze gaten in onze gesprekken voor. Zijn gedachten konden van het ene op andere moment ver weg van het hier en nu zijn. De verstrooidheid was altijd duidelijk in zijn blik te zien. Het wegvallen van de helderheid van geest had voor mij vaak iets aandoenlijks. Zoals een moeder vertederd naar haar kind kan kijken als het opgaat in zijn spel, zo keek ik naar Reinout.

Alleen was ik geen moeder en hij geen kind. Nee. We waren man en vrouw. Het spanningsveld dat twee verschillende sexen bij elkaar op kan roepen, was bij ons aanwezig. Ik voelde de behoefte deze kloof te overbruggen, maar faalde. Achteraf denk ik dat hij dat ook wilde, kloofloos samenzijn, maar hij was -net als ik- te onwetend en verlegen om doeltreffende actie te ondernemen. En zo om elkaar heen dralend brachten we regelmatig samen wat tijd door. Pratend, maar dus ook zwijgend. Anderen verbaasden zich over onze vriendschap. Maar voor mij was het even natuurlijk als vanzelfsprekend. Reinout zwierf rond in de stad en ik, ik kwam hem tegen, stond hem te woord en begreep hem. Ook als hij niets zei. Of misschien juist omdat hij niets zei.

Zoals dat af en toe gaat met vriendschappen, kan je elkaar op een gegeven moment uit het oog verliezen. Er waren in ons geval duizend aanwijsbare redenen voor, maar de enige die in mijn ogen telde, was de volgende: ik begreep hem niet meer. Zijn wegvalmomenten begonnen me angst in te boezemen en zijn toch wel zonderlinge aard kwam voor het voetlicht. Plotseling zag ik mezelf door de ogen van een buitenstaander en begonnen vraagtekens over ons contact in mij op te borrelen.

Maar niet alleen ik veranderde tijdens onze ontmoetingen, ook hij vervreemdde van mij. Hij nam me niet meer mee in zijn geluidloze avonturen, sloot me buiten en liep soms zomaar bij me vandaan. Langzaamaan verwaterde onze bijzondere band. Dat hij verhuisde naar een andere stad droeg daar het nodige aan bij. Eigenlijk was ik Reinout vergeten. Andere opmerkelijke mannen en vrouwen kruisten mijn pad in de jaren die erop volgden. Zij hadden de herinneringen aan hem naar de achtergrond verdrongen, zelfs in de vergetelheid gedrukt. Hij bestond niet meer.

Tot het moment dat ik op een mooie lentedag door de stad fietste en mijn oog getrokken werd naar een hand in hand lopend stelletje. De ietwat gebogen houding van de man kwam me bekend voor, alleen wist ik niet waarvan. Toen ze wat dichterbij kwamen, herkende ik Reinout. De twee gingen zo in elkaar op, dat ik hen ongemerkt kon passeren. Ik was blij en verdrietig tegelijk. Blij, omdat Reinout iemand gevonden had die het gapende gat tussen hem en de wereld had weten te dichten. Verdrietig, omdat mijn levenspad zich zo grillig heeft ontwikkeld. Uiteenlopende mannen waren op mijn pad gekomen, maar geen van allen bood mij die beschutting die ik nodig heb. Geen van allen hield een paraplu zo boven mijn hoofd dat ik veilig was voor de regen van het leven.

Doorweekt en al, sta ik nu even stil bij Reinout en zijn lieve, symbolische gebaar. Een herinnering om te koesteren. Een herinnering die het verdient herinnerd te worden. Vandaar dat ik hem nu hier opschrijf. Voor jou. En voor mezelf.

Dit schilderij maakte ik ooit van een paraplu. Het hangt nu bij mijn oma.

Dit schilderij maakte ik ooit van een paraplu. Het hangt nu bij mijn oma.

Single van de week

Achteraf kan ik er om lachen. Achteraf ja. Toen ik er midden in zat, stond het huilen me nader. Nu besef ik dat jaloezie de donkerste en slechtste kant in mensen boven haalt. Ook dat het wantrouwen stimuleert. En dat is een slechte zaak. Een kritische blik of kanttekening is goed. Ongegronde achterdocht daarentegen gaat te ver. De confrontatie met dit mindere aspect van mezelf viel me zwaar. Maar ik ben er overheen gekomen.

Mijn Boef en ik woonden nog niet zo lang samen. Dat ging, van mijn kant althans, gepaard met enige onzekerheid. We moesten onze grenzen onderzoeken en wennen aan het delen van huis, haard en bed. Langzaamaan leerden we elkaar en elkaars gewoontes steeds beter kennen. Zo ben ik bijvoorbeeld iemand die graag vroeg naar bed gaat. Boef hangt dan bij voorkeur nog wat langer in de woonkamer rond.

Het gebeuren speelde zich af in de late avonduren. Ik lag in bed nog naar wat muziek te luisteren. Boef was beneden aan het tv kijken. Dacht ik. Plotseling speelde mijn blaas op: ik moest naar de wc. Na wat moed verzameld te hebben (het was koud en midden in de winter), stapte ik uit bed en liep rillend de trap af.Toen ik klaar was met mijn toiletbezoek besloot ik mijn lief nog een welterusten kus te geven. Ik liep de kamer in en gaf hem een zoen. Mijn blikveld werd getrokken naar de rode internetsite waar hij druk mee bezig was op de laptop. ‘SINGLE VAN DE WEEK’ stond er in koeienletters. In lichte paniek snelde ik naar boven.

Zal ik er wat van zeggen? Moet ik hem er mee confronteren? Deze vragen spookten rond in mijn hoofd. Ik wilde niet de jaloerse vriendin uithangen die haar vriend niks gunt. Toch was ik in diepe shock van dit alles. Waarom hangt hij nu op een datingsite rond terwijl wij net samenwonen? Uiteraard kon ik de slaap niet vatten. Later kroop Boef bij me in bed en ik besloot, in mezelf heftig mokkend, niks te zeggen.

Die nacht deed ik geen oog dicht. Draaien, woelen, angstvisioenen. Ook boosheid. Hoe kon hij! Sukkel! De wekker ging ‘s ochtends af. Boef stond op het punt op te staan. Bij mij barstte de bom: ‘Wat deed jij op die datingsite gisterenavond?’ Mijn verwijtende toon bleek Boef te verbazen. Hij begreep duidelijk niet waar ik het over had. ‘Ja, je weet wel, van die ‘Single van de week’’, vervolgde ik dapper. Aan zijn ogen zag ik dat er nu een lichtje ging branden. ‘Maar meisje toch,’ antwoordde hij, ‘dat was een de muzieksite van iTunes. Ze hebben daar elke week een single die je gratis kan downloaden. En dat doe ik als muziekliefhebber nu eenmaal.’ Het schaamrood steeg naar mijn wangen. Jaloezie had me gek gemaakt.

 

Inmiddels bestaat het fenomeen ‘Single van de week’ niet meer. Nu kan ik geen plaatje van de Nederlandstalige versie van de site vinden. Ik weet eerlijk gezegd ook niet of die bestaan heeft. Misschien heb ik het in het nachtelijk uur wel verkeerd gelezen. Jullie moeten het hiermee doen.

Inmiddels bestaat het fenomeen ‘Single van de week’ niet meer. Nu kan ik geen plaatje van de Nederlandstalige versie van de site vinden. Ik weet eerlijk gezegd ook niet of die bestaan heeft. Misschien heb ik het in het nachtelijk uur wel verkeerd gelezen. Jullie moeten het hiermee doen.