Spotlight

Van tevoren had ik mij er niet erg in verdiept. In de film. Ik wist niet eens naar welke we zouden gaan. Een vriendin vroeg mij namelijk vorige week vrijdag mee naar filmhuis ‘Het Doek’. En ik kon en wilde wel. Leuk! Bij tijd en wijle houd ik van filmhuisfilms en deze film bleek een onverwachte schot in de roos.

Spotlight. Het waargebeurde verhaal gaat over Amerikaanse de krant The Boston Globe dat het kindermisbruik van de Katholieke Kerk aan de kaak stelt. Je ziet een team van onderzoeksjournalisten aan het werk om de waarheid boven tafel te krijgen. Het onderzoek gaat hen aan het hart en ze lopen tegen muren op en partijen aan die druk uit willen oefenen. Ze zetten door en hun inspanningen worden beloond: het artikel wordt gepubliceerd en zorgt ervoor dat in heel de wereld het misbruikschandaal aangepakt wordt.

Waarom sprak deze film mij nu zo aan? In de eerste plaats omdat ik zelf als correspondent werkzaam ben. Ik vond het heel interessant om te zien hoe andere journalisten te werk gaan, hoe ze alles op alles zetten om de waarheid boven tafel te krijgen. Een voet tussen de deur zetten en doorduwen. Ze weten ook waarom, want de draagkracht van het woord reikt ver. Dat blijkt wel als er uiteindelijk aan deze zaak de Pulitzerprijs wordt toegekend (wat trouwens niet in de film vertoond wordt).

Verder stemde deze film mij tot nadenken. Zelf ben ik niet het slag journalist dat grote zaken uitpluist en vanuit het duister aan het licht wil brengen. Ik ben meer van de leuke, bijzondere, kleine, positieve, alternatieve, onopgemerkte nieuwtjes. Maar wat niet is, kan nog komen. Toch? Op het moment vraag ik mijzelf af wat ik dan eventueel zou willen onderzoeken, in de ‘spotlight’ zetten. Welk onderwerp verdient de komende tijd mijn onafgebroken aandacht? Het antwoord moet ik mijzelf en daarmee ook jullie schuldig blijven. Ik schrijf over wat zich aandient. Niet meer en niet minder.

Het enige wat ik ook dit moment wel graag zou willen, is dat mijn blog wat meer bekendheid krijgt. Dat heb ik gedaan met een mooi logo en opvallende visitekaartjes. Die visitekaartjes heb ik naar familie, vrienden en bekenden opgestuurd met een persoonlijk briefje erbij. Ook heb ik ze hier in het dorp op verschillende plekken neergelegd. In de hoop enkele onbekende lezers te strikken. Voor een paar euro heb ik mijn Facebookpagina gepromoot, maar veel extra likes heeft me dat niet opgeleverd. Misschien als ik over grotere onderwerpen ga bloggen, dat het dan storm loopt? Maar wil ik dat wel echt, echt, echt? Ondanks mijn 1.80 meter ben ik maar een klein kwetsbaar meisje dat het ook niet altijd weet. Op heel veel poeha zit ik niet te wachten. Ik wil namelijk wel trouw kunnen blijven aan mezelf. ‘That’s me in te corner, that’s me in the spotlight,’ zingt de zanger van R.E.M. in ‘Losing my religion’. Het zouden mijn woorden kunnen zijn.

Zoals ik al eerder aangaf in dit blog is er niet iets wat ik direct in de ‘spotlight’ zou willen zetten. De meeste verhalen gaan over mijn eigen zoete en zure rabarberleventje. Maar misschien wil jij graag dat ik over een bepaald onderwerp iets schrijf. Laat het mij gerust weten! Ik bijt niet ; )

Poster van de film die mij tot nadenken stemde.

Poster van de film die mij tot nadenken stemde.

Advertenties

Meer voor mannen

Boef is er één. Een echte man. Maxim Hartman kan zijn zoektocht ernaar wel staken met zijn programma ‘Nog meer voor mannen’. Zijn opvoedkundige tips zijn in huize Paulus Potterstraat ook niet nodig. Boef staat waar hij voor staat en laat zijn oren (helaas?) niet hangen naar mijn vrouwelijke nukken en grillen. Echte mannen bestaan dus wel degelijk. Ik woon met het levende bewijs samen. Even heb ik overwogen om Maxim een brief te schrijven over Boef, maar dat kan ik Boef met zijn publiciteitschuwe aard niet aandoen. Dus houd ik het bij dit blog.

Het echte manschap uit zich naast bier drinken in het feit dat Boef een sterke voorkeur heeft voor de films van RTL7, de mannenzender. Zelf kan ik Steven Seagal, Arnold Schwarzenegger en Rambo nu niet meer zien. Niet dat ik ze ooit wel heb kunnen zien, maar toen hoefde ik er voor de goede vrede ook niet naar te kijken. Om de haverklap zijn er films over deze vechtersbazen in de herhaling te zien. Alsof er geen betere onderwerpen zijn om over te filmen. Trouwens, naar dartende mannen kijk ik liever ook niet. Ik ben niet de persoon ernaar om snel iemand lelijk te vinden, absoluut niet. Ik houd juist van getekende mannen met een verhaal. Mooie (fotomodel)mannen, die vind ik vaak juist lelijk. Als je begrijpt wat ik bedoel. Van dartende mannen draait mijn maag echter spontaan om. En laten die nou vaak op RTL7 te zien zijn. De uitdrukking ‘het oog wil ook wat’ heeft voor mij eindelijk betekenis gekregen.

Nu moeten jullie niet denken dat Boef hier de scepter zwaait en ik als een slaaf altijd met hem naar RTL7 zit te kijken. We kijken voor de balans ook wel naar een leuke vrouwenfilm op Net5. Of een goede thriller op Veronica of een andere zender. Meestal is er echter weinig zinnigs op tv en lig ik gewoon wat te dutten tegen Boef aan. Op de achtergrond dan vaak de lijzige stem van Seagal en vechtgeluiden. Ik in dromenland. Uiteraard zonder snurkgeluiden.

Gisteren sprak ik op een feestje met een vriendin over dit gebeuren. Zij herkende zich helemaal in mijn verhaal. Ook zij woont samen met een ‘echte man’. We spraken af dat we in de toekomst elkaar gaan appen als de RTL7-drang weer toeslaat. Onze mannen mogen dan met elkaar naar vechtfilms gaan kijken en wij, wij gaan met tissues en chocolade ons te buiten aan vrouwenfilms. Toen ik Boef vertelde over deze afspraak zei hij doodleuk dat ik dan waarschijnlijk elke avond bij die vriendin zou zitten en beter met haar kon gaan samenwonen. Een echt mannenantwoord dat ik met een korreltje zout neem. Want wat is er leuker dan om samen met je lief knus voor de buis te zitten onder een dekentje op een koude winteravond?

Jullie zien het: naast de tv ook een echte vrouwelijke touch. Dat is 'meer voor vrouwen'.

Jullie zien het: naast de tv ook een echte vrouwelijke touch. Dat is ‘meer voor vrouwen’.

Groene vingers

Groene vingers. Wie heeft ze? Ik in ieder geval niet. Dat is iets wat als een paal boven water staat. Planten geef ik te veel of te weinig water. Als ik een bos bloemen krijg, laat ik altijd het boeket in tact. Het elastiekje laat ik om de stengels zitten, want bij de gedachte dat ik de ruikers zelf in een vaas moet schikken, breekt het angstzweet mij al uit. Met veel pijn en moeite probeer ik dan maar om de stengels, gebundeld en al, aan de onderkant van het boeket schuin af te snijden. Het was dan ook geen wonder dat Boef de taak op zich nam om de planten water te geven.

Heeft Boef groene vingers? Het antwoord laat ik veiligheidshalve maar in het midden. Als ik mij namelijk bemoei met zijn bewatering krijg ik een krachtig weerwoord. In het begin van onze relatie gaf ik, als ik het vermoeden had dat hij het groen bij ons in huis vergat, zelf de plantjes weleens water. Nou, dat kreeg ik dan echt aan alle kanten te horen, want op deze manier verstoorde ik zijn ‘watergeeftactiek’. Ouder en wijzer geworden liet ik de planten de planten en zo kabbelde het floraleven bij ons in huis voort.

De balans kwam de afgelopen weken weer scheef te staan toen twee hele leuke plantjes met vrolijke paarse bloemetjes erin er elke keer erg verlept bij stonden. Van mijn schoonmoeder begreep ik dat dit soort veel water nodig heeft, dus pakte ik af en toe onze gieter om mij om mijn lievelingetjes te bekommeren. Zonder resultaat. Vandaag besloot ik de confrontatie met Boef aan te gaan en wees ik hem op de inmiddels armetierige bedoening in de vensterbank. Zoals verwacht kaatste hij de bal direct terug: ik had me niet aan de afspraak gehouden en nu hadden de plantjes een overkill aan water gehad. Ik had hem moeten vertrouwen en hem zijn gang moeten laten gaan. ‘Het is hem dus wel opgevallen dat ik de plantjes ook water heb gegeven,’ dacht ik bij mezelf, ‘Hij houdt de boel dus toch wel in de gaten. Maar waarom heeft hij dan niet ingegrepen?’

Wiens schuld is het nu dat de plantjes dood zijn? Beiden wijzen we met een vinger naar de ander. De hond in de vensterbank houdt wijselijk zijn mond. Hij is wél verstandig.

Een van de verlepte plantjes met de zwijgende en dus verstandige hond.

Een van de verlepte plantjes met de zwijgende en dus verstandige hond.

 

Zondag croissantdag

Eigenlijk is het heel erg. Toch drijf ik er de spot mee. Getuigt dat van lef of is het gewoon dom? Ze zeggen dat de liefde van de man door de maag gaat. In mijn geval kan er dan geen sprake meer van liefde zijn. Alles is de laatste tijd namelijk in mijn eigen ronde buikje beland.

Wat is het geval? Romantische ziel die ik (stiekem) toch ben, had ik voor in het weekend zelf in elkaar te rollen croissantjes gekocht. Om samen in de ochtend van te genieten op de zalige zondag. Twee weken achter elkaar had ik mij vergist in dit knusse samenzijn. Boef bleek de ene keer namelijk storingsdienst te hebben en te moeten werken, de andere keer was er iets anders belangrijks (ben even vergeten wat). Dat bracht mij dat ik alleen in de keuken aan de slag ging met deze lekkernij.

Het geurde heerlijk in huis. De oven piepte en ik at braaf en gelukzalig mijn deel van de croissants op. Dat betekende dat er nog twee op Boef lagen te wachten. En… naar mij te lonken. ‘Ach,’ dacht ik, ‘Nog eentje kan wel.’ Toen was er nog maar één over voor mijn wederhelft. Ook die kon ik niet laten liggen en hebberig en hongerig vermaalde ik het krokante baksel tussen mijn kiezen.

Afgelopen zaterdag vertelde ik dit verhaal tijdens een feestje aan mijn collega’s van de post. De lachers kreeg ik ermee op mijn hand. Ik dronk maar niet teveel, want -was het verhaal- deze zondag zouden Boef ik wel samen smikkelen en smullen. Eén collega was zelfs zo vreg om te zeggen dat ik dit weekend zelf niks mocht eten. Alles was voor Boef. Ik ben wel goed, maar niet gek. Die ochtend aten we er ieder twee. Geluk zit in een klein hoekje. Boef beweert dat hij alles onthouden heeft en dat zijn wraak zoet zal zijn. Ik hoop zo zoet als een door hem gebakken appeltaart. Die ik dan ook nog eens alleen mag opeten. Maar dat zal wel niet.

De croissantjes voordat ze de oven in gingen. Zou er deze keer wel wat voor Boef overblijven?

De croissantjes voordat ze de oven in gingen. Zou er deze keer wel wat voor Boef overblijven?

Dikke foeke

Afgelopen week dacht ik ook een mondje Achterhoeks te spreken. Veel collega’s bij de post zijn nu met vakantie, dat betekent dus extra werken. Lachend zei ik op het depot: ’Dat is aan het eind van de maand mooi een dikke foeke!’, doelend op het extra geld dat ik nu ga verdienen. De betekenis van dikke foeke was volgens mij namelijk: heel veel geld. Thuisgekomen zei ik trots tegen Boef dat ik onze vakantie wel van mijn dikke foeke van deze maand zou betalen. Hij keek me aan of hij het in Keulen hoorde donderen. ‘Weet je wel wat je zegt?’, vroeg hij me. ‘Weet jíj wel wat ìk zeg?’, diende ik hem van repliek ‘Ik praat nu namelijk Achterhoeks met je.’ Na wat heen en weer gepraat kwam ik erachter dat volgens Boef ‘foeke’ geen geld, maar ‘blaas’ betekende. Ik ging het internet op en daar vond ik dat foeke een valse vrouw, kreukel of rimpel betekende. Nergens kwam ik de betekenis ‘heel veel geld’ tegen. Plotseling bekroop mij een gevoel van schaamte, want in de afgelopen dagen had ik met veel mensen vol trots over mijn dikke foeke gepraat. Misschien had niemand me nu echt begrepen en hadden ze allemaal gedacht: ’Laat die stadse maar lullen, Achterhoeks kan ze niet.’

Het werd tijd voor een hulplijn: de collega’s. Ik gooide de uitdrukking in de WhatsApp groep. Er waren uiteenlopende reacties: sommigen kenden het niet, maar een collega die de uitdrukking vaak gebruikt meldde dat het wel degelijk ‘heel veel geld’ betekent. Mijn collega’s schakelden ook weer hulplijnen in, want misschien werd het alleen maar gebruikt binnen een bepaalde familie. Dat bleek niet zo te zijn, ook mensen buiten die familie kenden de uitspraak. Al append kwamen we op het liedje dat gezongen wordt bij de foekepotterij, een gebruik op Oudejaarsavond. Dan gaan de kinderen met een foekepot langs de deuren en zingen ze het liedje: ‘Foekepotterij, foekepotterij, geef mien un cent, dan goa ik weer veurbij’. Een foekepot is een volksmuziekinstrument bestaande uit een aardewerken pot met een vlies (blaas, Boef heeft dus ook gelijk!) erover gespannen. Door het midden van het vlies wordt een stokje gestoken. Het bewegen van die stok zorgt voor geluid. Vroeger werden de zingende kinderen beloond met geld, tegenwoordig kan dat ook snoep zijn. Ik had nog nooit van dit gebruik gehoord, maar mijn collega’s hebben heel lief het liedje voor mij gezongen. Nu ben ik nog meer ingeburgerd in de Achterhoekse gewoontes en gebruiken.

Doordat uitdrukking niet bij iedereen bekend is, heb ik ook de Achterhoekers zelf nog wat geleerd over hun eigen taal. Al blijven sommigen volhouden (ik noem geen namen) dat het gebruik van ‘dikke foeke’ oneigenlijk gebruik is van het Achterhoeks. Maar daarover meer in een volgend blog.

Geen bier in mijn blote kont

Een van de eerste dingen die mij in de Achterhoek opviel, was de hoeveelheid bier die hier gedronken wordt. Zelf ben ik een matige drinker en lust ik geen bier. Tijdens mijn studententijd in Leiden heb ik wel geprobeerd om van dat gele vocht te gaan houden, want ‘bier drinken moet je leren’ was het motto. Na een poosje in die veronderstelling geleefd te hebben, besloot ik dat dat klinkklare onzin was. Ik bleef de smaak van bier ronduit smerig vinden. Daarom stapte ik over op de zoetere drankjes.

Tijdens het stappen in mijn randstedelijke periode kwam ik, geloof het of niet, wel eens dronken mensen tegen of trok ik op met een groepje dat zich een avond ging bezatten. Een echte bierleek ben ik dus niet. Tenminste, dat dacht ik. In het begin van mijn relatie met Boef gingen we eens de bloemetjes in een plaatselijke kroeg buiten zetten. We waren met een groot gezelschap en elke keer als er een rondje bier werd gehaald, werd mij een port voorgeschoteld. De barvrouw was niet zuinig, ik kreeg geen portglas, maar een wijnglas vol. Gulheid kan je de Achterhoekers niet ontzeggen, dat is een ding dat zeker is.

Toen ik besloot om een rondje te geven, bestelde ik braaf voor de bierdrinkers een flesje bier en voor mezelf maar een cola. De port was een beetje naar mijn hoofd gestegen en ik liep al te wankelen op mijn benen. Met mijn goede bedoelingen kwam ik bij de groep terug. Al flesjes uitdelend merkte ik dat er door sommigen besmuikt werd gelachen. Helemaal toen ik Boef een flesje overhandigde. Pas veel later begreep ik wat het euvel was: ik had pijpjes besteld in plaats van halve liters. En ja, dat is in bierland vloeken in de kerk. Het is bijna nog erger dan een ander merk boven Grolsch te verkiezen, heb ik mij laten vertellen.

De avond vorderde en vorderde en het bier bleef maar aangesleept worden. ‘Zijn ze nou nog niet dronken?’ vroeg ik mij af, toen we ons al in de kleine uurtjes bevonden. De drinkers die ik in het Westen van het land kende, zouden allang knock-out zijn gegaan. Hier liep iedereen er nog fris en fruitig bij. Het leek wel of ze immuun waren voor de alcohol. Ein-de-lijk hadden de mannen ook genoeg van het bier. We gingen naar huis. ‘Waar ben ik in verzeild geraakt?’, dacht ik nog voordat ik in slaap viel. De volgende ochtend stond Boef met nauwelijks een kater vrolijk zijn tanden te poetsen, terwijl ik de slaap met moeite uit mijn ogen wreef en de naweeën van de vorige avond grondig voelde.

Inmiddels weten de mensen hier dat ik niet meedrink in het groepstempo, zelfs niet als ik een cola-dagje heb. Na drie glazen krijg ik namelijk al een cola-buik. Wat ik wel heb geleerd, is om een flinke bodem in mijn glas te laten zitten als ik nog geen dorst heb, want zodra een glas bijna leeg is, is het gebruikelijk om een nieuwe -en wel tot de rand toe gevulde- voor je neus te krijgen. Dit in tegenstelling tot het Westen, waar je rustig een paar uur met niks in een uitgaansgelegenheid kunt staan of zitten en waar de glazen lang niet zo vol zijn.

Dus sorry lieve Achterhoekers, dat ik geen liters bier met jullie zuip en zeker niet in mijn blote kont, zoals de streekband ‘Mooi Wark’ zo prachtig zingt. Ik houd het bij mijn portjes en likeurtjes en een enkele keer een zoete witte wijn (maar dan wel een lekkere!). Kunnen jullie daar mee leven?

Bier?!

Bier?!

Ik wil je als een gemis verzinnen

Deze tekst heb ik geschreven met behulp van Margrethe Venema van Wassily’s Frisbee. De tekst zat al heel lang in me, maar kwam er niet goed uit. Dankzij haar feedback heb ik dit stuk kunnen schrijven, iets wat ik al heel lang wilde. Helaas is mijn stuk er niet in geplaatst, maar jullie kunnen het nu hier lezen.

Ik wil je als een gemis verzinnen

Lang, heel lang ben ik zoekende geweest. Zoekende in de breedste zin van het woord. Als vrouw zocht ik naar een man om mijn leven mee te delen (gevonden). Als vriendin zocht ik naar troostende zinnen om de gebroken harten van mijn vriendinnen te helen (soms gevonden). Als dochter zocht ik naar een tevreden blik van mijn ouders (verkeerd gezocht). Als zus zocht ik naar een gedeeld verleden met mijn zusje (altijd aanwezig geweest). Als schrijfster zocht ik naar woorden om mijn verhalen mee te vertellen (kwijt geraakt). Over die laatste zoektocht wil ik het met jullie hebben. De zoektocht naar de woorden.

Op de meest intense momenten in mijn leven kwamen de woorden in grote getale in mijn hoofd en vormden de basis voor mijn boek Grillig pad der Liefde. De meeste teksten schreef ik tijdens mijn verdriet over mijn Overleden Geliefde en in de periode dat ik hevig naar mijn Onbereikbare Muze smachtte. Woorden vormden voor mij een brug tussen gevoelens van hoop en wanhoop. Op die brug werd de heftigheid van de uitwaaierende emoties gekanaliseerd in en gerelativeerd tot een behapbaar stukje taal. Ik beeldhouwde de woorden zo, dat ze een kwetsbare zeggingskracht kregen.

Aan de ene kant voelde ik me wanhopig, want mijn Geliefde was dood en later bleek dat ik voor mijn Muze niet betekende wat hij voor mij deed. Aan de andere kant voelde ik me hoopvol, omdat mijn Geliefde me had geleerd mezelf en het leven te omarmen en omdat ik het niet uitsloot dat mijn Muze misschien ooit mijn gevoelens zou beantwoorden. Dit heen en weer geslinger tussen twee uiterste emoties maakte dat ik naar woorden zocht om in balans te blijven. Op de brug tussen Hoop en Wanhoop hervormde ik mijn sterke gevoelens in het mooiste wankele woordenevenwicht dat bestond. Dat hield in dat ik gedichten en verhalen schreef om dat wat ik ervaarde een plek te geven en zo weer meer vrede te ervaren in mijn hoofd en hart. Er was echter maar een briesje verdriet of vleugje vreugde nodig om de harmonieuze gemoedstoestand die al schrijvend ontstond te verstoren. Deze kwetsbaarheid was duidelijk voelbaar in mijn woorden en maakte dat ik mijn lezer diep kon raken. Dit evenwicht heb ik tot op de dag van vandaag niet teruggevonden.

Het mooiste wat kon gebeuren, overkwam me: ik vond na de dood van mijn Geliefde opnieuw de Liefde en de Liefde vond mij ook. Na een tijd in de zevende hemel vertoefd te hebben volgde het aardse geluk en nu, vijf jaar later, geeft de uitgebalanceerde relatie me steun en kracht. Ik heb er letterlijk geen woorden voor, want ze blijven weg. Het geluk heeft me met stomheid geslagen. De vaste grond onder mijn voeten blijkt funest voor mijn schrijverschap te zijn. Zou ik om mijn woorden terug te willen vinden dan moeten lijden?

Toen zo’n drie jaar geleden een grote crisis in mijn leven uitbrak en ik mijn gezonde verstand bijna verloor, was schrijven wel het laatste waar ik aan dacht. De gedachte aan een confrontatie met het diepste van mijn ziel zorgde ervoor dat het angstzweet mij bij voorbaat al uitbrak. Ik wilde niet schrijven. Ik kón niet schrijven. Hoe graag ik mij ook wenste te uiten in taal – de woorden kwamen niet. Een te groot lijden blijkt dus ook niet dé oplossing voor het woordengebrek.

Uit mijn verhaal kunnen we opmaken dat zowel Geluk als Lijden, voor mij gelijk aan Hoop en Wanhoop, er in hun uiterste vorm voor zorgen dat de woorden weg blijven. Na mijn crisis herstelde ik wonderwel door de steun van Liefde en kwam ik snel weer in de wereld van Hoop terecht. Het relativeren van emoties op wat ik noem ‘de brug’ is ditmaal klaarblijkelijk vanzelf gegaan, want woorden heb ik er niet aan kunnen of willen geven.

Leven op het randje tussen Hoop en Wanhoop, met andere woorden leven op ‘de brug’ leverde mij mooie teksten op. ‘On the edge’ leven is echter gevaarlijk, omdat de kans bestaat van het randje af te vallen en dan in Wanhoop te geraken. Een gemoedstoestand die ik niet ten volste omarm.

Wil ik dan terugkeren op die brug? Als ik eerlijk ben: liever niet. Het risico om mezelf in Wanhoop te verliezen is te groot. De kans om uitzinnige vreugde te ervaren neemt dan ook toe en met dat binnen handbereik valt er ook weinig tot niks te schrijven. Wil ik graag weer woorden vinden? Ja! Natuurlijk! Maar ze vinden mij nu niet meer en dat is een trieste zaak. ‘[…]Ik wil je als een gemis verzinnen’ zegt Ilja Leonard Pfeijffer in sonnet van hem over de liefde. Ik zou dat willen zeggen tegen mijn woordenbrug. Die zou ik wel willen verzinnen, om zo weer tot epistels te komen die mensen in het hart raken. Echt raken. Dat mis ik…

Wanneer kom ik je tegen?

Een paar jaar geleden geleden heb ik een verhaal ingezonden voor het Vlaams-Nederlandse Literair/Cultureel tijdschrift Schoon Schip. Het is geplaatst in de rubriek Wassily’s frisbee. Thema van het verhaal moest zijn: droom en werkelijkheid. Na de inzending heb ik grondige feedback van Margrethe Venema gekregen. Dankzij haar goede commentaren is het verhaal geworden wat het is. 

Kom me dan tegen

‘Als de aard nog nat is

Van zonneregen,

Kom me dan tegen,

Kom me dan tegen;

Uw hart van alle wegen

Weet welk het pad is.’

P. C. Boutens.

Soms droom ik dat fictie werkelijkheid wordt en dat de waarheid niet bestaat. Dat jij Songo, mijn Onbereikbare Muze, me belt. Ik droom dat je nieuwsgierig naar me bent en naar me verlangt. Naar mij, de vrouw die jouw woorden leest en herkent. Toen ik voor het eerst in aanraking kwam met een boek van jou, was ik overrompeld. Een vriendin van mij raadde het me aan en zei:‘Dit is echt iets voor jou.’ Dat had ik wel vaker gehoord en daarom geloofde ik het in eerste instantie niet. Sceptisch begon ik aan hoofdstuk één. Daarna kon ik het niet meer wegleggen. Wat verteld werd, raakte mij in het diepste van mijn ziel. Voor mijn gevoel kon ik door de woorden heen kijken en jou zien. Echt zien. In alle puurheid. Het was niet alleen het verhaal dat me aansprak, maar ook de geest die haar componeerde. De rangschikking van de woorden, de opbouw van de hoofdstukken, de subtiel ingebrachte motieven. Dat alles deed me de adem stokken. Het thema dat besproken werd, maakte veel in mij los. Welk een schone ziel moet dit alles bij elkaar gedacht hebben! Toen werd ik, in mijn eenvoud, verliefd op je. Verliefd door de woorden heen. Door de kaften van de boeken voelde ik dat ik mijn zielsverwant had ontmoet. Ik begon te schrijven. Boeken vol. Ze gingen als warme broodjes over de toonbank. Als journalisten mij vroegen waar ik de inspiratie vandaan haalde, lachte ik geheimzinnig en hield een verhaal op over ‘ingevingen van boven’. De waarheid is dat ze kwam uit jouw boeken. Dat wat jij schreef, maakte mijn schrijfgolf wakker. Onbedoeld was jij mijn Muze geworden.

Was het leven simpel, dan had jij na onze woordeloze ontmoeting vlak na die zomerse regenbui ook de gloeiende bliksemstralen gevoeld in je hart. We liepen verzonken in gedachten op elkaar af. Ik doorweekt, lange haren in slierten langs mijn gezicht. Mijn mascara was (zag ik later in de spiegel) uitgelopen over mijn wangen. Jij droog dankzij je schots-geruite paraplu. Je liep me praktisch omver. Geen pas deed je opzij. Toen kruisten onze blikken elkaar en alles wat ik toen had ervaren van de Liefde was niets vergeleken bij deze blik in jouw ziel. Als je hart de wegen had gekend, had je op zijn minst je hoofd geknikt of een groet gemompeld. Je hart was echter toegevroren en alleen in staat de tekenen van je eigen gecomponeerde wereld te herkennen. Het Hogere en Grotere van de wereld waarin ‘common people’ leven was en is een ver van je bed show. Ik was in jouw ogen slechts een onbeduidend sujet. Jij had het recht me omver te lopen, want ik liep immers op een weg waar jij altijd voorrang had als eersteklas schrijver. Ik, als beginneling, was jouw aanblik niet waard. Er kwam geen woord over je lippen. De stuurse uitdrukking die van het een op andere moment op je gezicht verscheen, sprak boekdelen. Ik zou niet eens in jouw schaduw mogen leven. Dat werd ik me met een schok bewust. De klap van deze realiteit was hard. In mijn roze dromen had ik je op een voetstuk geplaatst en verheerlijkt. Daarbij vergetend dat roem en succes tekenend zijn voor iemands houding. In de werkelijkheid was niets van jouw heerlijke ziel te merken. Heb je dan alles verzonnen in je boeken? Is dat wat je geschreven hebt dan allemaal niet waar? Hoe kan dat? Hoe kan je met zulk een bezieling schrijven en dan rondlopen zonder sprankje geluk in je ogen?

Nu moet ik me neerleggen bij het feit dat ik je nooit echt zal leren kennen. De bliksemstraal was alleen in mijn hart ingeslagen. Ik dien genoegen te nemen met dat wat je schrijft voor het Grote Publiek. Met je woorden in je boeken, gedichten en verhalen. Wie weet beter dan ik dat er een wereld van verschil bestaat tussen Zijn en Gezien Worden. Je kan een image in stand houden door een houding, attitude van heb-ik-jou- daar-lik-mijn-vestje. Je deelt je ziel met duizenden mensen. Je hart maar met één. En dat ben ik. In mijn dromen dan. Daarin ruizen onze harten gezamenlijk door het heelal. In de echte wereld leef jij echter in een ivoren toren. Je waant jezelf heer en meester over de wereld. Jij vindt, maak ik op uit sommige epistels, ons marionetten die naar andermans pijpen dansen. Wij zijn gevangenen in de maatschappij. Wij zijn niet capabel om zelf te denken en keuzes te maken in ons leven. Denk jij echt dat enkel en alleen wij gevangenen zijn van de wereld die ons omringt? Ook jij bent een gevangene. Van jouw herschepping van de wereld. Van jouw visie op goed en kwaad. Hoe naïef aanbidding ook kan zijn, ze is oprecht en puur. Van het volste vertrouwen. Een vertrouwen dat je zelf kwijt bent geraakt in dat meesterbrein van je.

Soms zou ik willen dat ik jou nooit tegen was gekomen op die druilerige dinsdagmorgen, dat ik nooit een letter van jouw oeuvre had gelezen. Veel beter was het geweest als je mijn woorden was tegengekomen in een van mijn vele boeken, door de meest kritische recensenten geloofd en geprezen. Dan waren de rollen omgedraaid geweest. Jij zou je wentelen in mijn gedachten en zien, doorzien wie ik ben. Niet meer dat meisje dat gillend wegloopt, omdat ze gek wordt van haar levend publiek, maar een vrouw die zichzelf recht in de ogen kijkt en de wereld uitzinnig maakt. Zou ik me dan ook te goed voelen voor een klein berichtje terug naar aanleiding van een fanmail? Zou ik dan ook bang zijn dat de hele wereld (met andere woorden: jij) me zou gaan stalken, omdat ik een schrijfster met faam ben? Wat ik zou doen, weet ik niet. In de werkelijkheid zijn de rollen niet omgedraaid. Ik ben de romantische, aanbiddende ziel en jij mijn Onbereikbare Muze. Zo is het en zo zal het altijd zijn.

Op een koude winteravond zat ik alleen op mijn paarse loveseat. ‘Bel me dan!’ dacht ik vol smart. Hoe zou je dat in vredesnaam moeten doen? Jij hebt geen weet van mijn bestaan op deze aardbol. Onrust joeg me de straat op en ik liep weer eens door de Stationsstraat. Ook langs Het Hemelsche Gerecht, jouw stamkroeg. Je zat vertrouwd voor het raam. Dit keer met een glaasje rode wijn in je linkerhand. Je blonde krullen sprongen alle kanten op en de kleurige bloes die je aanhad, stak af tegen het sombere interieur van het café. Je keek mijmerend naar buiten toen ik vol verlangen binnen keek. Je zag me. Dacht ik. Of zag je me niet? Ik zal het nooit weten.

Nooit zal mijn telefoon door jouw toedoen rinkelen. In een kroeg zal je me geen biertje of portje aanbieden in een poging mijn nummer te bemachtigen. Mijn boeken zal je niet lezen, mijn woorden zullen de weg naar je hart niet vinden. Dat wat ik weet van jou bestaat alleen in je boeken en niet erbuiten. Onze levens zijn onverenigbaar. Dit allemaal bedenkend wandel ik verder door de stad. Regendruppels komen steeds sneller uit de lucht vallen en maken mijn tranen onzichtbaar. Kom me dan tegen, kom me dan tegen, kom me dan tegen…

Kom me dan tegen...

Kom me dan tegen…